De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.7:27.7 Het bijzondere van verjaring ligt niet in de gevolgen voor de debiteur
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.7
27.7 Het bijzondere van verjaring ligt niet in de gevolgen voor de debiteur
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366532:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
1-1R 8 december 1989, NJ 1990, 474
Ook als de subjectieve vijfjaarstermijn zou hebben gegolden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ligt in de gevolgen voor de debiteur van het handelen van de crediteur het onderscheid tussen de specialis verjaring en de generalis rechtsverwerking? Hebben de 'bijzondere omstandigheden' gerechtvaardigd vertrouwen en bewijs- en vermogensplanningsproblemen onderscheidend vermogen?
Naar mijn mening is dat niet zo. Inderdaad is het zo dat subjectieve verjaring wordt gerechtvaardigd doordat de debiteur erop is gaan vertrouwen dat geen nakoming meer wordt gevorderd en dat hij in bewijs- en vermogensplanningsproblemen komt als hij alsnog moet nakomen. Maar: die rechtvaardiging kan evenzeer gelden voor rechtsverwerking in algemene zin, voor rechtsverwerking niet zijnde verjaring dus. Het perspectief van de debiteur kan daardoor de grens niet trekken. Twee voorbeelden ter toelichting.
Het eerste is het klassieke Pekingeendenarrest. Het ging daar om talrijke met korte tussenpozen uitgevoerde leveranties van eenden, welke bestemd waren om door Calot te worden verwerkt. Doordat de eenden verwerkt werden, was voor vaststelling van de hoedanigheid van de eenden slechts een beperkte tijd beschikbaar. Omdat hij over de kwaliteit van de geleverde eenden niet tevreden was, paste Calot op de leveranties kortingen toe. Tegen die kortingen protesteerde de leverancier pas maanden na dato. De Hoge Raad oordeelde dat hier de leverancier zijn recht verwerkt heeft, omdat wegens de teloorgang van bewij smiddelen de afnemer over de ondeugdelijkheid van de pekingeenden niet meer kon debatteren.
Een ander voorbeeld!1 Een werknemer vordert niet betaald overwerk over de periode 1992 tot en met 1995. Hij heeft, zo is de veronderstelling in cassatie, tegen het niet uitbetalen van het overwerk niet geprotesteerd, maar is in de litigieuze periode wel veel overwerk blijven verrichten. De Rechtbank vindt dat blijven verrichten van overwerk reden om rechtsverwerking aan te nemen en de Hoge Raad laat dat oordeel in stand:
Anders dan [het middel] betoogt heeft de Rechtbank (...) niet miskend dat "enkel stilzitten" onvoldoende is om rechtsverwerking aan te nemen. Immers, de Rechtbank heeft (...) voor dat oordeel naast het niet protesteren mede redengevend geacht dat Bleij "steeds genoegen heeft genomen met uitbetaling van loon zonder overuren en niettemin zeer veel overuren is blijven maken."
Zo heeft, in de woorden van A-G Rakels, de werknemer "bij de wederpartij het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat hij zijn desbetreffende rechten — zo al aanwezig — niet wenste uit te oefenen".
Mijn punt is dit. Wij kunnen over het Pekingeendenarrest niet zeggen: dit is rechtsverwerking en geen verjaring, omdat de bewijspositie van de debiteur ondergraven is. Dat de bewijspositie van de debiteur ondergraven raakt, gebeurt namelijk bij louter tijdsverloop ook. En wij kunnen over de loonaanspraak van de werknemer niet zeggen: dit is rechtsverwerking en geen subjectieve verjaring, omdat de werkgever er op is gaan vertrouwen dat de werknemer niet meer zou vorderen. Dat vertrouwen ontstaat namelijk bij louter tijdsverloop ook.
De enkele ondergraving van de bewijspositie of het enkele vertrouwen bij de debiteur dat hij niet meer zal hoeven nakomen, zijn dus op zichzelf onvoldoende reden om rechtsverwerking aan te nemen. Die feiten liggen immers ook al ten grondslag aan verjaring krachtens de subjectieve termijn.
Maar dát hier voor ommekomst van de verjaringstermijn tot rechtsverwerking werd geconcludeerd, lijkt mij terecht.2 De focus op de positie van de debiteur levert daarvoor echter wat mij betreft geen bevredigende motivering.