Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.5.4
7.5.4 Nachtdetentie
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Vernieuwd Protocol Nachtdetentie 2012, par. 1.1.
In alle negen gevallen werd nachtdetentie bevolen door de raadkamer. Zie bijlage 2.
Dit is al eerder geconstateerd in het onderzoek van Bos e.a. 2006 (zie par. 5.5).
Zie bijlage 2. Bij één van deze twee rechtbanken is het gebruik van nachtdetentie in de periode na afloop van het observatieonderzoek – praktisch – een stuk lastiger geworden, nadat de justitiële jeugdinrichting die in het betreffende arrondissement was gelegen werd gesloten.
Vernieuwd Protocol Nachtdetentie 2012.
Ibid., par. 1.2.
Ibid., par. 2.1.
Ibid., par. 2.2.
Ibid., par. 3.2.
Raadkamerzitting 16; Raadkamerzitting 32; Raadkamerzitting 70; Raadkamerzitting 92; Raadkamerzitting 106.
Raadkamerzitting 87.
Voorgeleiding 27.
Raadkamerzitting 53.
Raadkamerzitting 22.
Raadkamerzitting 105.
Interview raadkamerrechter C.
Interview rechter-commissaris L.
Interview rechter-commissaris P.
Vgl. Bos e.a. 2006. Zie paragraaf 5.5.
Een andere modaliteit van voorlopige hechtenis die op grond van artikel 493, derde lid Sv kan worden toegepast is de nachtdetentie. Dit houdt in dat de minderjarige verdachte gedurende de avonden en nachten en in de weekenden in de justitiële jeugdinrichting verblijft en doordeweeks overdag een gestructureerd dagprogramma volgt buiten de inrichting.1 Nachtdetentie wordt in de praktijk niet vaak toegepast (zie par. 5.2). Dit kwam ook naar voren tijdens het observatieonderzoek.
Tijdens de 201 geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzittingen, waar over een vordering tot inbewaringstelling of gevangenhouding is beslist, maakte de rechter(s) negen maal gebruik van de mogelijkheid om de voorlopige hechtenis in de vorm van nachtdetentie ten uitvoer te leggen.2 Opvallend zijn voorts de grote verschillen tussen rechtbanken voor zover het gaat om de toepassing van nachtdetentie.3 Ten tijde van het praktijkonderzoek werd bij twee van de vijf onderzochte rechtbanken zo nu en dan gebruik gemaakt van nachtdetentie.4 Bij de overige drie onderzochte rechtbanken bestond ten tijde van het onderzoek – volgens de geïnterviewde rechters van de betreffende rechtbanken – een praktijk waarin in het geheel geen gebruik (meer) wordt gemaakt van de modaliteit van nachtdetentie.
In één van de onderzochte arrondissementen, waarin ten tijde van het praktijkonderzoek wel nachtdetentie werd toegepast, werd door rechters gebruik gemaakt van een Protocol Nachtdetentie5 bij het bepalen of een minderjarige verdachte in aanmerking zou komen voor nachtdetentie. Uit dit protocol kan onder meer worden afgeleid dat redenen om nachtdetentie toe te passen gelegen kunnen zijn in het belang van het voortzetten of starten van schoolgang en/of stage, het voortzetten van een baan en/of het ondergaan van een dagbehandeling of ambulante therapie.6 In het protocol staan ook contra-indicaties voor nachtdetentie opgesomd, bijvoorbeeld dat sprake is van – kort gezegd – een ‘12-jaarsfeit en een ernstig geschokte rechtsorde’, vluchtgevaar, ernstige recidive, beperkingen zijn opgelegd, een persoonlijkheidsonderzoek door twee of meer gedragsdeskundigen is bevolen of naar verwachting een vrijheidsbenemende straf of maatregel van meer dan zes maanden onvoorwaardelijk zal worden opgelegd.7 Ook kan nachtdetentie worden geweigerd in gevallen waarin de minderjarige verdachte in kwestie daarvoor niet geschikt wordt geacht, bijvoorbeeld vanwege een ernstige gedragsstoornis, verslavingsproblematiek, onaangepast gedrag in de justitiele jeugdinrichting of in het geval dat de Raad voor de Kinderbescherming zodanige zorgen heeft gesignaleerd dat nachtdetentie niet verantwoord is te achten.8 Voorts is voor nachtdetentie vereist dat bijvoorbeeld de school, stage- of werkplek en/of de behandelinstelling zich bereid verklaart om de minderjarige verdachte te (blijven) voorzien van een gestructureerde dagbesteding in het kader van de nachtdetentie.9
Dat de in het protocol genoemde contra-indicaties in de praktijk niet per definitie in de weg staan aan toepassing van nachtdetentie, bleek tijdens een geobserveerde raadkamerzitting in een zaak van een 14-jarige verdachte van een reeks inbraken. Tijdens de raadkamerzitting werd door de raadsman uitdrukkelijk verzocht om toepassing van nachtdetentie en werd dit ook geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming en jeugdreclassering. Ook de verdachte zelf gaf aan dat hij graag door middel van nachtdetentie naar school wilde blijven gaan. Tijdens het overleg tussen de rechters in raadkamer werd het protocol aangehaald en passeerden verschillende ‘contra-indicaties’ de revue, waaronder dat sprake was van een zwaar delict, dat de verdachte weinig inzet toonde op school en dat een ‘dubbel PO’ ging starten. Niettemin besloot de raadkamer uiteindelijk toch de voorlopige hechtenis in de vorm van nachtdetentie te bevelen voor de duur van 60 dagen, vanwege de jonge leeftijd van de verdachte, de positieve invloed die de school, in het bijzonder zijn mentor, op hem zou kunnen hebben en het feit dat de officier van justitie zich niet verzette tegen nachtdetentie.
Ook tijdens andere geobserveerde raadkamerzittingen speelde de schoolgang van de verdachte een doorslaggevende rol in de beslissing van de raadkamer om nachtdetentie toe te passen,10 terwijl in één bijgewoonde zaak niet zozeer de schoolgang, maar het belang van het starten van een ambulante behandeling voor de raadkamer reden was om nachtdetentie te bevelen.11 Voorts zijn er tijdens het observatieonderzoek ook voorgeleidingen en raadkamerzittingen bijgewoond waarin de rechter-commissaris of raadkamer de mogelijkheid van nachtdetentie weliswaar in overweging nam, maar toch besloot daarvan af te zien op basis van bijvoorbeeld de ernst van het feit,12 de omstandigheid dat het strafbare feit op school is gepleegd13 en/of de houding van de verdachte.14
Ook is een raadkamerzitting bijgewoond waar de raadkamer besloot op basis van aan artikel 67a, derde lid Sv en artikel 27 Sr gerelateerde overwegingen, zoals beschreven in de bovenstaande paragrafen 7.4.4.4 en 7.4.4.5, geen gebruik te maken van nachtdetentie als modaliteit van voorlopige hechtenis, maar de voorlopige hechtenis te schorsen onder voorwaarden. Aan het einde van de zitting motiveerde de alleenzittende raadkamerrechter zijn beslissing als volgt:
“Als er nou een zitting gepland stond, dan was nachtdetentie een optie geweest. Maar nu kan het nog zo lang duren. Dan blijft er niks meer over [om als straf op te leggen, YB] voor op zitting.”15
Ook tijdens een interview wordt er door een raadkamerrechter op gewezen dat nachtdetentie een vorm is van voorlopige hechtenis, waardoor de zittingsrechter ertoe gehouden is om, bij veroordeling van de verdachte, de periode die de verdachte heeft doorgebracht in nachtdetentie te verrekenen met de op te leggen straf (vgl. art. 27 Sr). Gelet op de nauwe samenhang tussen de (duur van) voorlopige hechtenis en de straftoemeting, zoals in paragraaf 7.4.4.5 is beschreven, kan een langdurige nachtdetentie in de praktijk een strafverhogend effect hebben (vgl. ook par. 7.5.3.2). Het is volgens de betreffende raadkamerrechter dan ook van belang om dit mee te nemen in zijn beslissing over toepassing van nachtdetentie.
“Bij nachtdetentie tikt de klok door [het is een vorm van voorlopige hechtenis, YB], dat is ook een afweging. Daar moet je ook mee uitkijken. Dat je hem niet drie maanden in nachtdetentie laat zitten, terwijl zijn medeverdachte die wel zelfstandig naar school kon, maar veertien dagen heeft gezeten. Ik vind nachtdetentie op zich een prachtig instrument, maar met name om even een goede start te maken. Als het dan allemaal een beetje marcheert, dat het dan een schorsing wordt.”16
Voorts volgt uit verschillende interviews met rechters dat de beslissing over toepassing van nachtdetentie in belangrijke mate afhangt van de praktische mogelijkheden en belemmeringen in het specifieke geval, zoals de medewerking van de school en de reisafstand tussen de school en de inrichting. In sommige arrondissementen hebben praktische belemmeringen er zelfs toe geleid dat in het geheel geen gebruik meer wordt gemaakt van de modaliteit nachtdetentie. Zo legt een rechter-commissaris uit dat sinds de justitiële jeugdinrichting in zijn arrondissement werd gesloten het gebruik van nachtdetentie niet langer haalbaar is, omdat de afstand tussen de dichtstbijzijnde justitiële jeugdinrichting en de school van de verdachte te groot is geworden.17
Een rechter-commissaris van een andere rechtbank stelt dat de reden waarom binnen de rechtbank waarin hij werkzaam is geen gebruik wordt gemaakt van nachtdetentie niet alleen is gelegen in praktische belemmeringen, maar ook in het gebrek aan creativiteit van zowel de rechters als de ketenpartners.
“Ik vind zelf dat wij als RC’s vaak wel een beetje voor de gebaande paden kiezen. We zijn niet heel creatief. Dat zou best wel een beetje meer kunnen. Maar aan de andere kant hebben wij ook andere ketenpartners nodig. Als de JR [jeugdreclassering, YB] of de Raad zou zeggen ‘we zouden dit gewoon heel graag willen en we kunnen het regelen’, dan zouden we daar denk ik best wel in meegaan. Maar om nou zelf als rechtbank daar nou een voortrekkersrol in te gaan spelen, op de één of andere manier gebeurt dat niet. Terwijl ik zelf heel erg de neiging heb om als jongens naar school gaan ze dús te schorsen, maar misschien is er ook best wel een geval, als er een 12-jaarsgrond is en een geschokte rechtsorde, dat je denkt ‘jammer van die school’. Maar misschien zou daar best wel met een nachtdetentie iets aan te doen zijn. En ik weet dat ze hier in [justitiële jeugdinrichting, YB] echt wel proberen om schoolwerk door te laten gaan, maar de jongeren verliezen toch tijd en als ze langer zitten verliezen ze toch dat schooljaar.”18
Samenvattend kan worden gesteld dat de geïnterviewde rechters zich over het algemeen positief uitlaten over (de potentie van) de modaliteit nachtdetentie, maar dat praktische of andersoortige belemmeringen het gebruik van deze modaliteit in de praktijk nog wel eens lastig – en in sommige arrondissementen zelfs structureel onmogelijk – maken.19