De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.2.1:28.2.1 Inleiding
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.2.1
28.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364078:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Lichtenauer, diss. p. 20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als gezegd, de communis opnio is dat: (i) de rechter vervaltermijnen ambtshalve toepast, (ii) van verval geen afstand kan worden gedaan, (iii) verval niet kan worden gestuit en (iv) verval sterke werking heeft.
Over al deze aspecten zal ik mij in deze paragraaf uitlaten, met uitzondering van de laatste. De wetgever heeft er expliciet voor gekozen aan de verjaring zwakke werking toe te kennen. Tegen die keuze bestaan wat mij betreft geen bezwaren. Dat verval geen zwakke maar sterke werking heeft, is een logisch gegeven voor zover het bevoegdheden of obliegenheiten betreft. Zwakke werking wil niet meer zeggen dan het enkele verval van de rechtsvordering en is daarom niet aan de orde. Bevoegdheden of obliegenheiten gaan nu eenmaal naar hun aard niet vergezeld van een rechtsvordering (er valt niets in rechte af te dwingen). Voor zover het vervaltermijnen betreft die op een vorderingsrecht zien, zal veel afhangen van de tekst van de betreffende bepaling. Over het algemeen geeft die aanleiding tot sterke werking te concluderen.
Men zou zich overigens kunnen verwonderen over de aandacht die in de loop der tijd naar de kwestie sterke/zwakke werking is uitgegaan. Lichtenauer noemde het "één der felst omstreden controversen uit de rechtsgeschiedenis" 1Of de staat van opwinding van de rechtswetenschappers over deze kwestie te vergelijken is met die van de justitiabelen valt te betwijfelen: de benadeelde die van zijn advocaat hoort dat zijn vordering verjaard is, zal nauwelijks getroost zijn door de nadere uitleg dat verjaring zwakke werking heeft, en dus, mocht de verzekeraar uit aardigheid tóch willen betalen, die betaling niet onverschuldigd is. Over het algemeen wórdt een tandeloos vorderingsrecht niet voldaan en dat een eventuele betaling niet onverschuldigd is, maakt in de grote meerderheid van de gevallen weinig verschil; wie bewust onverschuldigd betaalt zal in de regel het geld niet terug verlangen. Ik wil hiermee niet meer gezegd hebben dan dat het praktisch belang beperkt is; non-existent zal het niet zijn.
Thans de bespreking van de drie genoemde aspecten, te beginnen met de ambtshalve toetsing.