Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.6.3.2
1.6.3.2 Kwalitatief empirisch onderzoek: observaties en interviews
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Boeije 2010, p. 11; Rap 2013, p. 19.
Vgl. Staring & Van Swaaningen 2016, p. 36; Beyens, Kennes & Tournel 2016, p. 193-194.
Vgl. Smith e.a. 2008, p. 686.
Boeije 2010, p. 13; Rap 2013, p. 19-20.
Mortelmans 2016, p. 93-94.
Onderzoek naar besluitvorming in de raadkamer brengt, gelet op het ‘geheim van de raadkamer’, dillema’s met zich mee. Zie paragraaf 6.8. Zie ook: Van Duyne & Verwoerd 1985.
Vgl. Webley 2010, p. 926.
Dit geldt te meer omdat bekend is dat beslissingen over de voorlopige hechtenis veelal slechts minimaal worden gemotiveerd in de beschikking.
Zie bijvoorbeeld het onderzoek van Rap (2013) naar participatie van minderjarige verdachten tijdens jeugdstrafzittingen. Zie ook: Beyens 2000; Wandall 2008; Scheirs 2014.
Zie Verwoerd & Van Duyne 1985.
Voor een nadere beschrijving van, en reflecties op het proces van voorbereiden en uitvoeren van het observatieonderzoek en het coderen en analyseren van de bevindingen, wordt verwezen naar hoofdstuk 6.
Zie bijlage 5 voor een overzicht van de afgenomen interviews.
Vgl. Beyens, Kennes & Tournel 2016, p. 193-194. Zie ook: Van Roeyen & Vander Beken 2014, p. 503.
Vgl. Beyens, Kennes & Tournel 2016, p. 194. Voor een nadere beschrijving van, en reflecties op het proces van voorbereiden, uitvoeren, transcriberen, coderen en analyseren van de interviews, wordt verwezen naar hoofdstuk 6.
Zie hierover wel: Van der Laan e.a. 2008; Vermeer 2012; Van den Brink 2013.
Om de centrale onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden, wordt de toepassingspraktijk van voorlopige hechtenis van minderjarigen in kaart gebracht met behulp van kwalitatieve empirische onderzoeksmethoden. Er is om drie redenen voor gekozen om gebruik te maken van kwalitatieve onderzoeksmethoden. Ten eerste maken kwalitatieve onderzoeksmethoden het mogelijk om te komen tot rijke en gedetailleerde beschrijvingen van het juridisch-inhoudelijke besluitvormingsproces van de rechter, alsook van de dynamische context die wordt gevormd door de werkprocessen en beslissingen van, en interacties met en tussen de andere professionele actoren.1 Ten tweede zijn kwalitatieve onderzoeksmethoden bij uitstek geschikt om het besluitvormingsproces van de rechter – en dat van de andere betrokken professionele actoren – vanuit het actorperspectief te leren begrijpen (‘Verstehen’).2 Een dergelijk intern perspectief is essentieel om ‘law in action’ daadwerkelijk te kunnen doorgronden.3 Ten derde zijn kwalitatieve onderzoeksmethoden naar hun aard flexibel, waardoor er gedurende het onderzoek ruimte is om bepaalde bevindingen nader te onderzoeken en zodoende te verklaren.4 Dit betekent dat kwalitatieve onderzoeksmethoden kunnen worden gebruikt om ‘law in action’ te exploreren, te beschrijven en mogelijk te verklaren.5 Deze flexibiliteit is in het onderhavige onderzoek gewenst, daar er bij aanvang van het onderzoek nog weinig kennis beschikbaar was over de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen in Nederland (zie par. 1.4).
In het onderhavige onderzoek is gebruik gemaakt van twee kwalitatieve empirische onderzoeksmethoden: (1) observaties tijdens voorgeleidingen en raadkamerzittingen van minderjarige verdachten, en (2) semigestructureerde interviews met rechters en andere professionele actoren in de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen. In het navolgende worden de gehanteerde methoden beknopt uiteengezet en verantwoord. In hoofdstuk 6 volgt een uitvoeriger beschrijving van, en reflectie op het uitgevoerde empirische onderzoek.
Observaties
Observaties tijdens voorgeleidingen en raadkamerzittingen (N=225) zijn verricht om inzicht te krijgen in de wijze waarop rechters in de praktijk beslissingen nemen over de voorlopige hechtenis van minderjarigen. De observaties zijn in de periode van 29 oktober 2013 tot en met 22 januari 2016 verricht bij vijf verschillende rechtbanken, te weten Rechtbank Amsterdam, Rechtbank Den Haag, Rechtbank Midden-Nederland (locatie Lelystad), Rechtbank Overijssel (locatie Almelo) en Rechtbank Zeeland-West-Brabant (locatie Breda). Steeds heeft de onderzoeker toegang gekregen tot het normaliter besloten raadkameroverleg, alwaar de drie raadkamerrechters delibereren over de te nemen beslissing.6 Dit stelt de onderzoeker in staat om het inhoudelijke besluitvormingsproces van de rechter in zijn ‘eigen omgeving’ te bestuderen,7 alsook om inzicht te verkrijgen in de onderliggende overwegingen die niet naar voren komen in de formele motivering van de beslissing. Hierdoor leveren de observaties inzichten op over de besluitvorming over de voorlopige hechtenis van minderjarigen die niet kunnen worden gevonden met bijvoorbeeld een kwalitatieve analyse van beschikkingen van rechters-commissarissen en raadkamers (lees: een dossierstudie).8 Door observaties kan voorts een beeld worden verkregen van de uiteenlopende casuïstiek en de praktische mogelijkheden en beperkingen waar rechters mee te maken krijgen, alsook van de interacties tussen de verschillende actoren tijdens de voorgeleiding of raadkamerzitting. De observaties van de voorgeleidingen en raadkamerzittingen richten zich evenwel niet op het analyseren van de wijze van communiceren, de omgangsvormen, de cultuur en/of de fysieke setting in de rechtszaal,9 noch op het doorgronden van de psychologie van het raadkameroverleg,10 maar primair op het analyseren van de inhoudelijke besluitvorming over de voorlopige hechtenis van minderjarigen, waaronder ook de inhoudelijke interacties tussen de aanwezige actoren tijdens de voorgeleiding en raadkamerzitting worden begrepen.11
Semigestructureerde interviews
Kwalitatieve semigestructureerde interviews (N=71) zijn afgenomen met rechters en andere professionele actoren die werkzaam zijn in de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen in de bovengenoemde arrondissementen.12 De interviews zijn afgenomen in de periode van 30 januari 2014 tot en met 26 januari 2016. De interviews met rechters (N=20), die ook twee vignetten (lees: fictieve casus) bevatten, hebben tot doel gedetailleerde inzichten te verkrijgen in hoe rechters in jeugdzaken tot hun voorlopige hechtenisbeslissingen komen en welke percepties daaraan ten grondslag liggen. De interviews bieden hiermee een inkijk in het perspectief en de betekeniswereld van de rechters die over de voorlopige hechtenis van minderjarigen beslissen.13 Daar rechterlijke besluitvorming niet los kan worden gezien van de werkprocessen en beslissingen van, en interacties met en tussen andere professionele actoren, zijn ook semigestructureerde interviews afgenomen met officieren van justitie (N=10), advocaten (N=10) en professionals van de Raad voor de Kinderbescherming (N=11), jeugdreclassering (N=10) en justitiële jeugdinrichtingen (N=10). Op basis van de informatie die voortvloeit uit deze interviews kan een beeld worden geschetst van de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen dat verder reikt dan enkel hetgeen tijdens de voorgeleiding of raadkamerzitting plaatsvindt, waarmee het rechterlijk besluitvormingsproces in een bredere context kan worden geplaatst. Bovendien wordt de voorlopige hechtenis van minderjarigen zodoende vanuit verschillende (interne) perspectieven belicht, hetgeen bijdraagt aan een beter begrip van de voorlopige hechtenispraktijk.14
In het licht van de centrale onderzoeksvraag, is ervoor gekozen om de interviews te beperken tot professionele actoren die structureel onderdeel uitmaken van de toepassingspraktijk van voorlopige hechtenis van minderjarigen. Er zijn dus geen interviews afgenomen met minderjarige verdachten en/of hun ouders. Minderjarige verdachten en hun ouders kunnen worden gekwalificeerd als individuele rechtssubjecten, zijn niet beroepsmatig betrokken bij besluitvorming over de voorlopige hechtenis en dragen als zodanig dan ook geen verantwoordelijkheid voor het waarborgen van een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht. De wijze waarop minderjarige verdachten en ouders de voorlopige hechtenispraktijk beleven is zonder meer belangrijk en onderzoekswaardig, maar valt buiten de reikwijdte van dit onderzoek.15