RvdW 2026/190:Faillissementsfraude. Medeplegen bedrieglijke bankbreuk door als bestuurder van rechtspersoon (reisbureau) schuldeisers te bevoordelen (art. 343 lid 3 (oud) Sr), gelden aan boedel te onttrekken (art. 343 lid 1 (oud) Sr) en niet te voldoen aan zijn administratieplicht (art. 343 lid 4 (oud) Sr), en valsheid in geschrift (art. 225 lid 2 Sr). 1. Bewijsklachten bedrieglijke bankbreuk t.a.v. voorzienbaarheid van faillissement en opzet. Kon hof oordelen dat faillissement voor verdachte voorzienbaar was en dat hij (voorwaardelijk) opzet had op verkorting van rechten van (overige) schuldeisers? 2. Bewijsklachten bedrieglijke bankbreuk t.a.v. niet voldoen aan administratieplicht. Is het niet overleggen van administratie opgenomen in art. 343 (oud) Sr of enkel strafbaar gesteld in huidig art. 344a Sr? 3. Bewijsklacht valsheid in geschrift t.a.v. gebruik maken van geschriften. Kan uit bewijsvoering volgen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van overeenkomsten, nu reisbureau als ‘gebruiker’ moet worden aangemerkt? HR: art. 81 lid 1 RO. Samenhang met RvdW 2026/191.