Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.6.1.3
1.6.1.3 Methode: ‘desk research’
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties kan naar aanleiding van individuele klachten ‘recht spreken’ (of beter gezegd: ‘views’ geven) over vermeende schendingen van het IVBPR, waarmee het Comité zich impliciet of expliciet kan uitspreken over de reikwijdte, betekenis en implicaties van bepalingen uit het IVBPR. De ‘views’ zijn formeel niet juridisch bindend, maar wel gezaghebbend. Zie het Optioneel Protocol bij het IVBPR en ‘General Comment No. 33’ (Mensenrechtencomité 2008).
Hoewel uit artikel 46, eerste lid EVRM volgt dat EHRM-rechtspraak alleen bindend is voor verdragsstaten die partij zijn in de betreffende zaak, wordt EHRM rechtspraak in de Nederlandse rechtspraktijk als dermate gezaghebbend beschouwd dat de interpretatie van het EHRM als het ware onderdeel wordt van de betreffende EVRM bepaling. Via deze weg kan de uitleg die het EHRM in een concrete zaak geeft aan een bepaling het ‘casusniveau’ als het ware overstijgen en automatisch doorwerken in de Nederlandse rechtsorde, ongeacht of Nederland partij is in de zaak (vgl. de impact van het arrest Salduz t. Turkije op het Nederlandse (jeugd)strafrecht als een treffend voorbeeld). Volgens Barkhuysen (2004, p. 47) is hiermee “feitelijk de erga omnes-werking van Straatsburgse uitspraken erkend”.
‘General Comments’ van het Kinderrechtencomité en Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties betreffen gezaghebbende, doch niet juridisch bindende commentaren op bepalingen uit respectievelijk het IVRK en het IVBPR, die beogen te fungeren als ‘gids’ voor verdragsstaten bij de interpretatie en implementatie van de betreffende verdragsbepalingen. Zie hierover: Bennet, Hart & Svevo-Cianci 2009, p. 788; Kalverboer & Beltman 2014, p. 188-189; Keller & Grover 2012.
UN Standard Minimum Rules for the Administration of Juvenile Justice (Beijing Rules), UN GA Res. 40/33, 29 November 1985.
UN Rules for the Protection of Juveniles Deprived of their Liberty (Havana Rules), UN GA Res. 45/113, 14 december 1990.
UN Guidelines for the Prevention of Juvenile Delinquency (Riyadh Guidelines), UN GA Res. 45/112, 14 december 1990.
Recommendation Rec(2003)20 of the Committee of Ministers to member states concerning new ways of dealing with juvenile delinquency and the role of juvenile justice, 24 september 2003.
Recommendation CM/Rec(2008)11 of the Committee of Ministers to member states on the European Rules for juvenile offenders subject to sanctions or measures, 5 november 2008.
Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child friendly justice, 17 november 2010.
Het betreft zogenoemd ‘soft law’, hetgeen weliswaar niet juridisch bindend, maar in de praktijk wel politiek of moreel bindend wordt geacht. Zie: Nollkaemper 2016, p. 156-157.
Zie: Van den Brink & Liefaard 2014, p. 45-47.
Kinderrechtencomité 2007, par. 4 en 88.
Zie bijvoorbeeld: EHRM 6 mei 2008, Appl. Nr. 20817/04 (Nart t. Turkije), par. 17-22; EHRM 20 januari 2009, Appl. Nr. 70337/01 (Güveç t. Turkije), par. 58-64.
Zie hierover: Uit Beijerse & Kempen 2016.
Zie artikel 24, eerste lid van de Richtlijn jo. artikel 288 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Uit EHRM-rechtspraak volgt dat de nationale rechter gehouden is om de relevante belangen af te wegen bij zijn beslissing over het al dan niet toepassen van voorlopige hechtenis ten aanzien van een minderjarige.
Nadien zijn enkel nog een klein aantal EHRM uitspraken van bijzondere relevantie verwerkt in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3.
Om tot een relevant en werkbaar analysekader te komen, zal inzichtelijk worden gemaakt wat de implicaties zijn van het kinder- en mensenrechtelijke verbod op onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming voor de wettelijke regeling en toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarige verdachten. Hiervoor is ‘desk research’ uitgevoerd, waarbij uiteenlopende (rechts)bronnen zijn bestudeerd. De belangrijkste (rechts)bronnen betreffen de teksten en totstandkomingsgeschiedenis van de relevante bepalingen uit het IVRK, IVBPR en EVRM en de hierop betrekking hebbende rechtspraak van het Mensenrechtencomité1 en het EHRM,2 algemene commentaren (‘General Comments’) van het Kinderrechtencomité en het Mensenrechtencomité3 en rechtswetenschappelijke literatuur.
Voorts zijn relevante internationale en Europese kinderrechtenstandaarden bestudeerd die specifiek betrekking hebben op de rechtspositie van minderjarigen in het jeugdstrafrecht. Zo zijn er drie relevante VN-resoluties in de analyse betrokken, te weten de ‘Beijing Rules’ (voor een kinderrechtenconforme jeugdstrafrechtspleging),4 de ‘Havana Rules’ (voor de bescherming van minderjarigen wier vrijheid is ontnomen)5 en de ‘Riyadh Guidelines’ (voor de preventie van jeugdcriminaliteit).6 Hetzelfde geldt voor onder meer de ‘Recommendation concerning new ways of dealing with juvenile delinquency and the role of juvenile justice’,7 de ‘European Rules for juvenile offenders subject to sanctions or measures’ (ERJO)8 en de ‘Guidelines on child friendly justice’9 van de Raad van Europa. Deze VN-resoluties en aanbevelingen en richtlijnen van de Raad van Europa zijn niet juridisch bindend,10 maar kunnen niettemin bijdragen aan de ontwikkeling van een kader voor een kinder- en mensenrechtenconforme toepassing van voorlopige hechtenis.11 Zo stelt het Kinderrechtencomité in ‘General Comment No. 10’ dat implementatie van de genoemde VN-resoluties bijdraagt aan het realiseren van een IVRK-conform jeugdstrafrecht.12 Verder heeft het EHRM deze standaarden meermaals aangehaald in zijn rechtspraak over de voorlopige hechtenis van minderjarigen.13 Tot slot is ook de in 2016 in werking getreden ‘EU Richtlijn betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure’ meegenomen in het onderzoek.14 Deze Richtlijn is juridisch bindend en moet uiterlijk op 11 juni 2019 zijn geïmplementeerd in het Nederlandse rechtssysteem.15
Op basis van een analyse van de genoemde (rechts)bronnen zullen de reikwijdte, betekenis en implicaties van het kinder- en mensenrechtelijke verbod op onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming inzichtelijk worden gemaakt (zie hoofdstuk 2). Vervolgens wordt op basis van een verdiepende analyse van deze internationale en Europese (rechts)bronnen en relevante rechtswetenschappelijke literatuur een rechterlijk besluitvormingsschema ontwikkeld, waarmee nationale rechters – met inachtneming van de nationale wet- en regelgeving – in jeugdzaken tot rechtmatige en niet-willekeurige (lees: kinder- en mensenrechtenconforme) voorlopige hechtenisbeslissingen kunnen komen. Als onderdeel van dit besluitvormingsschema, zal tevens een model voor een kinder- en mensenrechtenconforme belangenafweging worden ontwikkeld (zie hoofdstuk 3).16
Het onderzoek naar kinder- en mensenrechtenstandaarden die relevant zijn voor de voorlopige hechtenis van minderjarigen is beëindigd op 1 januari 2017.17