Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.6.1.2:1.6.1.2 Concretisering van het analysekader
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.6.1.2
1.6.1.2 Concretisering van het analysekader
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Kempen & Kristen 2005, p. 319; Van Sliedregt 2009, p. 35-36.
Dit weerspiegelt het holistische karakter van het kader van kinder- en mensenrechten, waarin verschillende verdragsrechten in onderlinge samenhang en in de geest van de verdragen als geheel moeten worden gelezen. Zie Kinderrechtencomité 2003, par. 18.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voorlopige hechtenis van minderjarigen raakt verschillende rechten en uitgangspunten die onderdeel uitmaken van het internationale en Europese kader van kinder- en mensenrechten, zoals het recht op persoonlijke vrijheid (art. 37(b-d) IVRK, art. 9 IVBPR en art. 5 EVRM), het recht op een eerlijk proces (art. 40, tweede lid IVRK, art. 14 IVBPR en art. 6 EVRM), de op re-integratie gerichte doelstellingen van het jeugdstrafrecht (art. 40, eerste lid IVRK) en het uitgangspunt dat het belang van het kind een eerste overweging moet zijn in alle beslissingen aangaande minderjarigen (art. 3 IVRK). Om tot een hanteerbaar kinder- en mensenrechtelijk analysekader te komen, is concretisering en afbakening noodzakelijk. In het onderhavige onderzoek is er daarom voor gekozen om het aan het recht op persoonlijke vrijheid gerelateerde verbod op onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming, als bedoeld in artikel 37(b) IVRK, artikel 9, eerste lid IVBPR en 5, eerste lid EVRM, te gebruiken als analysekader. Deze keuze is erop gebaseerd dat voorlopige hechtenis – in verhouding tot de andere genoemde rechten en uitgangspunten – het meest direct inbreuk maakt op het recht op persoonlijke vrijheid van de minderjarige verdachte.1 Bovendien – zo zal blijken in hoofdstuk 2 – impliceert het verbod op onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming dat voorlopige hechtenis van minderjarigen niet strijdig mag zijn met overige relevante kinder- en mensenrechtenstandaarden.2 In het onderhavige onderzoek zal het verbod op onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming aldus fungeren als ‘kapstok’ om de eisen van een kinder- en mensenrechtenconforme toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen aan op te hangen om daarmee een relevant en hanteerbaar normatief kader te ontwikkelen voor de analyse van de Nederlandse wet en praktijk van voorlopige hechtenis van minderjarigen.