Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.1.1
28.1.1 Inleiding
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365289:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pari. Gesch. Boek 3, p. 1416.
Een passage als de volgende (Brunner, De Jong (2004), nr. 302) is exemplarisch: 'Een wettelijke vervaltermijn is van geheel andere aard. Hij doet het vorderingsrecht tenietgaan en niet alleen de rechtsvordering. Verval van het vorderingsrecht (déchéance) is dus een bijzondere wijze van tenietgaan van een vorderingsrecht. De rechter moet vervaltermijnen ambtshalve toepassen, ongeacht of de schuldenaar zich daarop beroept. Wettelijke vervaltermijnen zijn van dwingend recht en — anders dan verjaringstermijnen — niet vatbaar voor schorsing, stuiting of verlenging.' In vergelijkbare bewoordingen Hijma, Olthof (2005), nr. 98 en Asser/Hartkamp 44, nr. 686-691 met nadere verwijzingen.
Asser/Losecaat Vermeer & Rutten (1956), p. 519.
Asser/Hartkamp 4-1, nr. 686.
Asser/Losecaat Vermeer & Rutten (1956), p. 521; Asser/Hartkamp 4-1, nr. 688.
Dit hoofdstuk gaat over vervaltermijnen. Er is, anders dan voor verjaringstermijnen, geen algemene regeling voor vervaltermijnen. De wetgever licht dat als volgt toe:
"(...) een algemene regeling voor vervaltermijnen [is] onnodig geacht. (...) Wat de regels van vervaltermijnen betreft, deze vloeien in hoofdzaak hieruit voort dat de verjaringsregels niet van toepassing zijn, zodat geen stuiting, verlenging of afstand mogelijk is, tenzij de wet anders bepaalt, wat ook in het nieuwe wetboek hier en daar geschiedt (...). Een rem op het opstellen van algemene regels was verder dat vervaltermijnen, veel sterker dan verjaringstermijnen, in aard uiteen lopen. Zij kunnen allerlei in karakter verschillende bevoegdheden betreffen, maar ook betrekking hebben op een vordering, die na het verstrijken van de termijn ophoudt te bestaan."1
Er staat dat voor vervaltermijnen geen algemene regeling geldt, onder andere omdat vervaltermijnen zozeer in functie uiteen lopen. Maar vervolgens lijken die regels tóch te worden gegeven, en wel via een a contario-achtige redenering. Te lezen valt: "Wat de regels van vervaltermijnen betreft, deze vloeien in hoofdzaak hieruit voort dat de verjaringsregels niet van toepassing zijn (...)" Alles wat voor verjaring geldt, geldt niet voor verval? Het vervolg "zodat geen stuiting, verlenging of afstand mogelijk is", suggereert dat wel.
Over de rechtvaardiging van die benadering ontstaat echter direct twijfel als men beseft dat vervaltermijnen in veel gevallen dezelfde functie vervullen als verjaringstermijnen — daarover straks meer. Het gaat dan niet aan om de regels waaraan zij moeten gehoorzamen a priori tegengesteld te achten.
De wetgever laat ons over de regels van verval dus niet meer weten dan een wat cryptische passage in de Parlementaire geschiedenis. Dat betekent dat wij in belangrijke mate zijn aangewezen op rechtspraak en literatuur. Het opvallende is, dat waar de wetgever zegt af te zien van het formuleren specifieke bepalingen, (mede) omdat vervaltermijnen daartoe al te zeer in aard uiteen lopen, in de literatuur van terughoudendheid weinig te bespeuren valt. Zonder veel nuances of reserves poneert men regels met min of meer algemene geldingspretentie.
De werking van vervaltermijnen wordt, net als in de parlementaire geschiedenis gebeurt, bijna steeds gecontrasteerd met de werking van verjaringstermijnen. Algemeen wordt het volgende aangenomen:
verval heeft de ondergang van het materiële recht tot gevolg (sterke werking), verjaring heeft de ondergang van de rechtsvordering tot gevolg (zwakke werking); vervaltermijnen worden door de rechter ambtshalve toegepast, op een verjaringstermijn moet de debiteur zich beroepen;
de debiteur kan geen 'afstand doen van verval' ; hij kan niet bewerkstelligen dat het verval van recht niet intreedt; het beroep op een verjaringstermijn is wél ter discretie van de debiteur;
vervaltermijnen kunnen niet gestuit worden, verjaringstermijnen wél.2
Over deze vier punten geldt al decennia lang een grote mate van overeenstemming. Ik zal in dit hoofdstuk evenwel betogen dat drie van de vier genoemde regels niet gelden waar het vervaltermijnen niet van openbare orde betreft: als het een verval-termijn niet van openbare orde is hoeft de rechter hem niet ambtshalve toe te passen, kan van de termijn afstand worden gedaan en kan de termijn soms, afhankelijk van het type termijn, 'gestuit' worden. Dat is een vrij fundamentele afwijking van de heersende leer.
Ik verwacht mij met die stelling niet buiten het debat te plaatsen, omdat er eigenlijk geen debat bestaat. Reeds in 1956 stond in Asser/Losecaat Vermeer & Rutten: "In alle handboeken kan men vinden, dat verjaring en verval streng moeten worden onderscheiden. Opmerkelijk is echter, dat omtrent het essentiële verschil tussen beide figuren geen eenstemmigheid bestaat."3 Tegenwoordig is precies die zin nog steeds in de Asser-serie te lezen.4 Hetzelfde geldt voor een groot deel van de overige tekst over vervaltermijnen, zoals: "Bepalingen, welke een vervaltermijn vaststellen, zijn van dwingend recht en de rechter moet deze ambtshalve toepassen. Met betrekking tot beroepstermijnen in het procesrecht is dit bijzonder duidelijk, maar het geldt ook voor andere termijnen. Dit wordt tegenwoordig wel algemeen aangenomen. (...)”5
Deze statische toestand is niet zo verwonderlijk, omdat er in min of meer recente tijden niemand is geweest die zich met kritische blik op het onderwerp heeft gericht. In de literatuur treft men, wat scherp gezegd, slechts mechanische parafrases van de communis opinio en nog steeds baseert de doctrine zich op Hoge Raad arresten uit de jaren twintig die, zo hoop ik hierna te adstrueren, inmiddels werkelijk niet meer voor juist gehouden kunnen worden.
Mijn opvatting resulteert in een nogal postmodern geheel: vervaltermijnen in het vermogensrecht blijken niet aan de vaste regels te gehoorzamen die in de literatuur worden opgesomd. Hun functioneren lijkt soms zelfs op dat van verjaringstermijnen. De vraag is dan: waarin verschillen verjaring en verval dan nog wél en wanneer moet de wetgever voor verjaring en wanneer voor verval kiezen? Die kwestie zal ik bespreken na de drie zojuist genoemde punten. Eerst nog twee inleidende opmerkingen.