Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.8.4
27.8.4 Het derde type; geen momentum en tijdsverloop met een nadere ontwikkeling
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366544:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat in een enigszins vergelijkbaar geval ook anders beslist kan worden, toont HR 18 januari 1991, NJ 1991, 272. In de periode 1970-1984 laat de gemeente Temeuzen ruim fl. 200 000 onbetaald van door de Staat terzake van de exploitatie van een gebouwencomplex in rekening gebracht bedragen. De Staat wijst het door de Gemeente ingenomen standpunt 'in een uitvoerige correspondentie doorlopend' van de hand, maar maakt pas na meer dan tien jaar werk van de zaak. Het Hof vindt dat mede gezien het doorlopend van de hand wijzen geen sprake is van rechtsverwerking, maar meent wel dat de Staat door zoveel tijd te laten verlopen geen aanspraak meer kan maken op het volle bedrag. De Hoge Raad gaat zelfs die 'matiging' te ver, overwegende dat het Hof 'uitsluitend een beroep doet op het tijdsverloop tussen het ontstaan van het conflict en het tijdstip waarop de Staat is overgegaan tot het nemen van 'daadwerkelijke inningsmaatregelen''. Niet alleen geen rechtsverwerking dus, maar zelfs geen ex aequo et bono vermindering van het verschuldigde bedrag.
Wat mij betreft illustreert deze zaak met name het tekort schieten van onze huidige stuitingsregeling; een `stuitingshandeling' waarna niet de daad bij het woord wordt gevoegd, behoort wat mij betreft geen stuitende werking te hebben — zie nader hierover § 8.4.
Ik heb deze opmerking van Huydecoper enigszins uit zijn verband geknipt. Het gehele citaat luidt: '[Men zou] kunnen besluiten tot een schema, waarin een beroep op rechtsverwerking in het algemeen terughoudend wordt beoordeeld, en waarbij gerechtvaardigd vertrouwen dat rechten niet (meer) geldend zullen worden gemaakt slechts in duidelijke — ondubbelzinnige — gevallen wordt aangenomen, alles: tenzij er sprake is van een verkeersbehoefte of een zorgvuldigheidsnorm — of een andere bijzondere omstandigheid — die de 'gerechtvaardigdheid' van het aannemen van gerechtvaardigd vertrouwen (of van rechtsverwerking onder andere titel) inderdaad kan (c.q.: kunnen) opleveren.'
Twee categorieën onder het kopje 'tijdsverloop en rechtsverwerking' tot dusverre. De eerste categorie gaat welbeschouwd niet over tijdsverloop en in de tweede categorie werd ten onrechte — naar althans de onder het nieuwe verjaringsrecht te hanteren maatstaf — rechtsverwerking aangenomen omdat eigenlijk sprake is van 'louter tijdsverloop'. Er moet nog een derde type zaak worden onderscheiden.
Dat is het type zaken waarin (i) geen verplichting bestaat te ageren kort nadat de crediteur dat had gekund, (ii) substantieel tijd is verstreken, en (iii) zich binnen die tijd andere ontwikkelingen hebben voorgedaan dan louter tijdsverloop. De vraag is dan of die ontwikkelingen, in combinatie met het verstrijken van de tijd, het rechts-verwerkingsoordeel kunnen dragen. Twee voorbeelden.
In HR 28 november 20031 overwoog het Hof terecht, zo oordeelt de Hoge Raad:
"dat Marsman, door in een periode van negen jaar tot zes maal toe niet tot dagvaarding over te gaan terwijl zulks op grond van haar in diezelfde periode tot M. gerichte brieven wel verwacht mocht worden, het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij haar aanspraak op schadevergoeding niet meer geldend zou maken."
Niet het tijdsverloop op zichzelf, maar de combinatie van tijdsverloop en de herhaald niet gestand gedane aankondiging van de crediteur dat zij tot dagvaarding zou overgaan, draagt hier het rechtsverwerkingsoordeel.
Nu is het niet uitvoeren van een herhaald aangekondigd voornemen niet bepaald de paradigmatische rechtvaardiging van rechtsverwerking. Die aankondigingen doen immers ook sterk denken aan de stuitingshandelingen, en stuitingshandelingen bewerkstelligen nu juist behoud van recht. Natuurlijk is wel te betogen dat loze aankondigingen op enig moment in hun tegendeel gaan verkeren, maar daarmee is nog niet gezegd dat zij de meest voor de hand liggende rechtvaardiging van rechtsverwerking vormen.2Om dát oordeel was het mij hier ook niet te doen;3 het ging mij erom een geval te noemen waarin de rechter de rechtvaardiging van rechtsverwerking vindt in tijdsverloop plus enigerlei vorm van contact tussen partijen.
Inhoudelijk sprekender is HR 29 september 1995, NJ 1996, 89 (Van den Bos/Provincial). Van den Bos overkwam in december 1972 een ongeval; hij dagvaardde verzekeraar Provincial in april 1976 tot schadevergoeding; in juni 1986 werd verval van instantie uitgesproken; reeds kort daarvoor had Provincial aan Van den Bos medegedeeld dat zij zich op rechtsverwerking zou beroepen als hij de procedure zou "hervatten". In augustus 1989, drie jaar later, dagvaardde Van den Bosch Provincial opnieuw terzake van hetzelfde geschil. Het Hof oordeelt dat sprake is van rechtsverwerking. De Hoge Raad laat dat oordeel in stand, en somt in zijn overweging de omstandigheden op die het Hof terecht tot zijn oordeel hebben gebracht:
"(i) de langdurige periode (bijna tien jaren) die was voorafgegaan aan de op 27juli 1986 door Provincial schriftelijk tot Van den Bos gerichte mededeling dat deze een beroep op rechtsverwerking kon verwachten zo hij na het verval van de instantie een nieuwe instantie zou entameren, gedurende welke periode Van den Bos Provincial in het ongewisse had gelaten omtrent zijn standpuntnaar aanleiding van Provincials conclusie van antwoord, (ii) het doen doorProvincial van deze mededeling, (iii) het feit dat op grond van die mededeling naar ' s Hofs oordeel van Van den Bos, zo deze zijn aanspraken uit de verzekeringsovereenkomst zou willen vervolgen, voortvarendheid mocht worden verlangd, en (iv) de omstandigheid dat Van den Bos nochtans een onredelijk lange tijd (bijna drie jaren) na die mededeling heeft stilgezeten alvorens blijk te geven zijn aanspraken te willen vervolgen."
Wij zien dat de Hoge Raad hier belangrijke betekenis toekent aan de mededeling van Provincial dat zij zich op rechtsverwerking zou beroepen. Aldus is het een zuiver voorbeeld van rechtsverwerking op grond van tijdsverloop in combinatie met een andere ontwikkeling.
Wat hebben deze twee zaken gemeen? Er is substantieel tijdsverloop. Dat tijdsverloop heeft reeds op zichzelf effect op de debiteur; hij gaat er steeds meer op vertrouwen niet te hoeven nakomen en zijn positie raakt steeds meer ondergraven. Die vertrouwensgroei en positieondergraving ondergaan vervolgens door zeker contact tussen partijen een 'versnelling'. In de eerste zaak doordat Marsman in weerwil van haar eigen herhaalde aankondigingen stil blijft zitten, in de tweede zaak doordat Van den Bos opnieuw stilzit nadat Provincial een beroep op rechtsverwerking aankondigt. Het is dus niet zo dat de crediteur binnen korte termijn had moeten ageren (eerste categorie casus), het is ook niet zo dat het enkele tijdsverloop het rechtsverwerkingsoordeel draagt (tweede categorie casus), maar de crux in deze derde categorie zaken is de samenwerking tussen tijdsverloop enerzijds en, anderzijds, het contact tussen partijen.
De vraag is wat wij moeten beschouwen als een ontwikkeling die een zodanige `versnelling' veroorzaakt dat sprake is van rechtsverwerking. Wat mij betreft is rechtsverwerking in het onderhavige soort casus alleen aan de orde — dat er uitzonderingen zijn sluit ik niet uit —, als tussen partijen na substantieel tijdsverloop inderdaad contact over de zaak heeft bestaan. De bedoelde ontwikkeling moet in dat contact worden gezocht. In de twee besproken arresten gebeurt dat ook: er zijn daar door de debiteur aan de crediteur brieven geschreven en vice versa. Het kan ook een minder directe vorm van contact zijn, zoals bijvoorbeeld verval van instantie — er is dan procesrechtelijk contact. Maar bij afwezigheid van alle contact, zie ik voor rechtsverwerking weinig plaats.
De reden is dat stilzitten tijdens of kort na een 'gesprek' over een vordering, nadrukkelijker stilzitten is (althans: kan zijn) dan stilzitten zonder dat de vordering onderwerp van gesprek is geweest. Met name het vertrouwen dat geen nakoming zal worden gevorderd, kan door tijdsverloop in combinatie met contact over de vordering aanzienlijk sterker toenemen dan door tijdsverloop alleen. Andere ontwikkelingen die een vergelijkbare 'versnelling' veroorzaken, maar die niet het typische gevolg van tijdsverloop zijn, zijn moeilijk te bedenken.
Er is voor de regel dat het moet gaan om een zekere vorm van contact tussen partijen ook een pragmatischer argument: de opdracht is het vinden van de grens tussen verjaring en rechtsverwerking. Door een rechtsverwerkingsberoep in beginsel niet te honoreren als tussen partijen in de loop der tijd geen contact heeft bestaan, wordt een duidelijke grens getrokken.
Wel blijft dan nog onduidelijkheid bestaan over welke inhoud het contact tussen partijen moet hebben, wil sprake zijn van rechtsverwerking; vanzelfsprekend leiden na substantieel tijdsverloop niet alle vormen van contact over de vordering tot rechtsverwerking, al was het alleen maar omdat stuiten, dat het tegendeel bewerkstelligt, ook een vorm van contact is. Het lijkt mij erg moeilijk hierover een minder algemene regel te geven dan dat het moet gaan om contact dat het daarop volgende stilzitten van de crediteur een zodanige betekenis geeft, dat de feiten die aanleiding geven tot rechtsverwerking te concluderen, versneld intreden.
Wel nader op te merken is, dat, zoals bekend, rechtsverwerking zijn grondslag vindt in de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, en dat dus een terughoudende toetsing moet plaatsvinden. De vraag is niet of het wel redelijk is dat de crediteur alsnog vordert, de vraag is of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als hij dat alsnog doet. Huydecooper pleit er in zijn conclusie voor HR 21 juni 2002 naar ik meen terecht voor dat "gerechtvaardigd vertrouwen dat rechten niet (meer) geldend zullen worden gemaakt slechts in duidelijke — ondubbelzinnige — gevallen wordt aangenomen"4 Huydecooper wijst in dit verband op "de (vuist)regel dat voor stilzwijgende afstand van recht een ondubbelzinnige houding van degene die afstand zou hebben gedaan, wordt geëist". Dat lijkt mij een zinvolle associatie.
Concluderend: het ging in deze paragraaf over zaken waarin (i) geen verplichting bestaat te ageren kort nadat de crediteur dat had gekund, (ii) substantieel tijd is verstreken, en (iii) zich binnen die tijd andere ontwikkelingen hebben voorgedaan dan louter tijdsverloop. De vraag was welke ontwikkelingen, in combinatie met het verstrijken van de tijd, het rechtsverwerkingsoordeel kunnen dragen. De conclusie luidt dat het moet gaan om contact tussen partijen dat het daarop volgende stilzitten van de crediteur een zodanige betekenis geeft, dat de feiten die aanleiding geven tot rechtsverwerking te concluderen, versneld intreden. Omdat rechtsverwerking wortelt in de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, is bij beoordeling van het rechtsverwerkingsberoep terughoudendheid geboden.