Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.5.2.3:7.5.2.3 Duur schorsingsvoorwaarden
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.5.2.3
7.5.2.3 Duur schorsingsvoorwaarden
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van artikel 27, derde lid BTJ kan de rechter de werking van de aan een schorsing van de voorlopige hechtenis te verbinden bijzondere voorwaarden beperken tot een bepaalde tijdsduur. In de praktijk lijkt de rechter niet vaak gebruik te maken van deze bevoegdheid. Slechts bij één van de in het onderzoek betrokken rechtbanken wordt een maximale duur gekoppeld aan een schorsingsvoorwaarde, te weten de avondklok. Uit de interviews met rechters van de betreffende rechtbank komt naar voren dat daar intern de afspraak is gemaakt om structureel de duur van de avondklok als schorsingsvoorwaarde te beperken tot maximaal twee of drie maanden. Dit geldt echter uitsluitend voor de avondklok en niet voor de overige schorsingsvoorwaarden, mits deze niet van rechtswege aan een termijn zijn gebonden.
Een raadkamerrechter illustreert tijdens een interview waarom bepaalde voorwaarden volgens hem wel in duur zouden moeten worden begrensd en andere voorwaarden niet:
“Wij begrenzen de avondklok altijd tot maximaal twee of drie maanden. En een aantal schorsingsvoorwaarden is natuurlijk al begrensd [in het BTJ, YB]. Mijn beleving is dat… als ik specifieke schorsingsvoorwaarden opleg, dan zijn die in beginsel voor zes maanden. En dan bedoel ik: ITB, De Waag, etc. (…) Gebiedsverboden, contactverboden, ik moet eerlijk zeggen dat ik mij daar nog niet zo om bekreund heb. Contactverboden leggen we wel op en ik moet je eerlijk zeggen: ik vind het helemaal niet zo erg als de verdachte en het slachtoffer ook na die zes maanden elkaar niet opzoeken. Bij contactverbod tussen medeverdachten gaat dat misschien wel een beetje wringen, want tot hoelang moet je jongens die ooit vrienden waren van elkaar scheiden? Stel dat de officier heeft zitten slapen, na anderhalf jaar mogen ze elkaar nog steeds niet zien, terwijl zij allebei inmiddels misschien wel zeggen ‘het was stom wat we toen deden’ en de ene al bijna klaar is met zijn studie en de ander is halverwege... Gebiedsverboden leggen wij ook wel eens op, maar dan kijk ik wel heel erg naar de vraag: wat heb jij in dat gebied te zoeken? Want als dat niks is, dan heb ik geen enkel probleem om dat gebiedsverbod op te leggen. Als het maar een klein dingetje is, dan heb je pech, dan kun je totdat de zaak op zitting is maar even niet in dat gebied komen. Dan ga je je boodschappen maar ergens anders doen. Maar ik denk dat ik het ook niet zo heel erg zou vinden als dat meer dan zes maanden is.”1
In de andere vier onderzochte rechtbanken is het geen vaste praktijk dat de avondklok als schorsingsvoorwaarde in duur wordt beperkt. Desalniettemin geven verschillende rechters van deze rechtbanken tijdens het interview – uit zichzelf, dan wel desgevraagd – aan dat zij dit eigenlijk wel zouden moeten gaan doen.
“Wat we ook niet vaak doen en meer zouden moeten doen, is dat we ons ook bezig houden met de termijn waarvoor we die voorwaarden willen opleggen. Want het is vaak een open einde, terwijl vaak kan het wel een tijdje duren voordat het uiteindelijk op zitting komt. En al die tijd moeten die jongeren zich aan die avondklok houden, tenzij iemand eens aan de bel trekt van ‘hallo, hij wil weer naar sport’ of hij wil een baantje en dat wij dan zoiets hebben van ‘oh, ja dat kan nu wel weer ’. En dat is wel een punt, voor wat betreft die termijnen, dat we veel meer moeten realiseren dat we dat moeten begrenzen. We weten allemaal wel dat dat eigenlijk moet, maar op het moment zelf denk je daar vaak niet aan.”2
Begrenzing van de duur van de bijzondere voorwaarden die aan de schorsing van de voorlopige hechtenis kunnen worden verbonden, blijkt dus – althans ten tijde van het praktijkonderzoek – niet structureel te zijn gewaarborgd in de Nederlandse jeugdstrafrechtspraktijk. Niettemin geven de interne afspraken binnen één van de onderzochte rechtbanken, alsook de percepties van verschillende rechters van de andere onderzochte rechtbanken er wel blijk van dat er onder rechters draagvlak bestaat om dit in elk geval voor wat betreft de avondklok (beter) te gaan waarborgen.