Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.5.2.2
7.5.2.2 Maatwerk
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Interview rechter-commissaris F.
Raadkamerzitting 21.
Voorgeleiding 30.
Voorgeleiding 22.
Raadkamerzitting 99; Raadkamerzitting 107.
Raadkamerzitting 5.
Voorgeleiding 48; Raadkamerzitting 68; Raadkamerzitting 105.
Raadkamerzitting 44.
Raadkamerzitting 124.
Interview rechter-commissaris L.
Interview rechter-commissaris P.
Interview raadkamerrechter D.
Voorgeleiding 58; Voorgeleiding 59.
Voorgeleiding 8.
Voorgeleiding 60.
Interview rechter-commissaris M.
Voorgeleiding 58 (na afloop).
Interview raadkamerrechter G.
Interview rechter-commissaris E.
Interview raadkamerrechter A.
Voorgeleiding 43.
Interview raadkamerrechter N.
Interview raadkamerrechter T.
Interview rechter-commissaris L.
Tijdens de interviews met rechters valt bij de uitleg van hoe wordt omgegaan met schorsingsvoorwaarden herhaaldelijk het woord “maatwerk”: in ieder individueel geval moet worden bekeken welke schorsingsvoorwaarden passend (en gepast) zijn. Om dit maatwerk te kunnen bieden, leunen rechters zwaar op de informatie en advisering van de Raad voor de Kinderbescherming en jeugdreclassering en op de wijze waarop laatstgenoemde instantie invulling geeft aan de tenuitvoerlegging van de bijzondere voorwaarden. Tijdens de observaties van de beraadslagingen van de raadkamer gevangenhouding viel op dat doorgaans de door de Raad voor de Kinderbescherming en/of jeugdreclassering geadviseerde schorsingsvoorwaarden als uitgangspunt werden genomen bij het bepalen van de bijzondere voorwaarden die in de beschikking zouden worden opgenomen. Dit komt ook tijdens de interviews naar voren:
“Nou over het algemeen is het [advies, YB] in ieder geval een uitgangspunt. Vaak wil je natuurlijk toch, denk ik, als je een schorsing gaat geven, zorgen dat de jeugdreclassering op alle punten de boel in handen kan houden. En als zij vragen om bepaalde voorwaarden, via de Raad voor de Kinderbescherming, dan vind ik dat je daar in ieder geval goed over na moet denken en ze meestal ook wel moet geven, omdat dat de instrumenten zijn waarmee zij deze jongen dan verder kunnen begeleiden.”1
Sommige rechters gaan nog verder door de jeugdreclassering uitdrukkelijk de bevoegdheid te geven om lopende de schorsing vrijheidsbeperkende aanwijzingen te geven of de verdachte ertoe te verplichten deel te nemen aan (intensieve) begeleidings- of behandelingstrajecten. Tijdens verschillende geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzittingen werd aan de schorsing de voorwaarde gekoppeld dat de verdachte zich ‘moet houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dat inhoudt’: een avondklok,2 een contactverbod,3 een locatiegebod4 of meewerken aan een dagbestedingsprogramma,5 Multi-System Therapy (MST),6 Functional Family Therapy (FFT),7 Multi-Dimensional Family Therapy (MDFT)8 of sociale vaardigheidstraining (SoVa).9 Een rechter-commissaris legt tijdens een interview uit dat hiermee wordt beoogd de jeugdreclassering de ruimte te geven om gedurende de schorsing direct te kunnen inspelen op wat nodig en haalbaar is en daarmee dus maatwerk te kunnen leveren:
“Nou, huisarrest [avondklok, YB] als schorsingsvoorwaarde leg ik zelf nooit op. Dat laat ik aan de jeugdreclassering. Dat is zo maatwerk. En de duur daarvan dat laat ik ook aan de jeugdreclassering over. Het behoort dan tot de aanwijzingen die de jeugdreclassering kan geven. (…) Die heeft contact met het gezin en die kijkt wat nodig is en haalbaar is. Op een gegeven moment is het voor ouders ook niet meer te behappen. Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit zoiets heb opgelegd en daar een termijn aan heb verbonden, het is altijd de vrije hand aan de jeugdreclassering.”10
Een andere geïnterviewde rechter-commissaris stelt evenwel dat de mogelijkheid om bijzondere voorwaarden te verbinden aan een schorsing geen vrijbrief mag zijn voor onbegrensde hulpverlening. In zijn ervaring hebben de Raad voor de Kinderbescherming en jeugdreclassering nog wel eens de neiging dit uit het oog te verliezen:
“Nou [het advies is] wel heel belangrijk. Maar die [Raad voor de Kinderbescherming en jeugdreclassering, YB] hebben in mijn ogen nog wel eens de neiging om echt zo’n bak voorwaarden te adviseren. Zo van ‘ik heb je en nou kaderen wel het allemaal in’. Terwijl ik denk van: ‘het moet wel ergens over gaan’. Nou bijvoorbeeld als een jongen gepakt wordt met wiet of het is duidelijk dat sprake is van verslaving of het feit is onder invloed gebeurd, dan zou ik nog wel de neiging hebben om bijvoorbeeld voorwaarden over middelengebruik op te nemen. Maar als zo’n relatie er helemaal niet is, dat blijkt ook uit het dossier, om dan bijvoorbeeld een verbod op middelengebruik op te leggen, dan denk ik ‘ja, natuurlijk het is allemaal heel gezond, maar of je dat dan in dit kader zo moet doen?’ En op basis van één gesprek? Kijk, als je dat in een strafzaak doet en er is uitvoerig onderzoek gedaan en er is duidelijk in kaart gebracht van ‘dit zijn de zorgen’, dat je dan met dit soort voorwaarden komt…”11
De opvattingen van rechters over (het doel van) het verbinden van bijzondere voorwaarden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte lopen sterk uiteen. Deze opvattingen kunnen langs een continuüm worden geplaatst tussen enerzijds de opvatting dat toepassing van bijzondere voorwaarden strikt is gebonden aan juridische regels en beginselen en anderzijds de opvatting dat hulpverlening voorop dient te staan en de hulpverlenende instanties hiervoor zoveel mogelijk de vrije hand moeten worden gelaten. Een raadkamerrechter verwoordt dit als volgt:
“Nou de Raad zit natuurlijk nog meer op de lijn van: wat heeft deze jongere nodig om er beter uit te komen? In feite zou je daar als rechter nog meer terughoudend mee om moeten gaan door te kijken van: wat is er nou gerechtvaardigd in het licht van wat er gebeurd is? Welke inperking op zijn vrijheid verdient deze jongen ook? Want het is hoe dan ook een inperking van zijn vrijheid en hij moet dit doen, terwijl zijn schuld nog niet bewezen is. Het is nog in de fase voordat er een definitief oordeel is gegeven. Ik denk dat daar nog wel een verschil is tussen kinderrechters, in hoeverre je die beschermingsgedachte een warm hart toe draagt. Dat je denkt van: we zijn hier nu op dit punt beland, laten we maar alles inzetten wat op dit moment voor handen is, want kwaad kan het sowieso niet. Of ga je meer strafrechtelijk te werk: tot hoever is de ingreep nodig voor wat er gebeurd is en rechtvaardigt dat het ook? En dat is denk ik lastig, om die balans te vinden. En misschien schieten we daar als jeugdrechters wel heel gauw en makkelijk in door, omdat je ziet welke problemen er spelen. En dat is ook lastig…. Je ziet namelijk altijd gevallen die veel slechter zijn dan jij in jouw persoonlijke kring ziet, of bijna altijd is dat zo. Dus dat het in je opkomt van ‘hier moet iets gebeuren’, dat is altijd wel aanwezig. Nou, dan is er ook nog eens een keer de Raad en de jeugdreclassering die bevestigen dat en dan ga je daar heel makkelijk in mee.”12
De uiteenlopende benaderingen van rechters kunnen geïllustreerd worden aan de hand van drie juridische beginselen die door rechters in meer of mindere mate in acht worden genomen bij het bepalen van de bijzondere voorwaarden: het subsidiariteitsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel en de onschuldpresumptie (zie par. 4.3.3 en 4.3.4).
Uit het observatieonderzoek volgt dat sommige rechters het subsidiariteitsbeginsel strikt toepassen, in die zin dat zij enkel bijzondere voorwaarden aan de schorsing verbinden die nodig zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het onderliggende bevel tot voorlopige hechtenis. Zo ging een rechter-commissaris in een tweetal zaken niet mee met alle door de Raad voor de Kinderbescherming voorgestelde bijzondere schorsingsvoorwaarden, omdat “deze voorwaarden te veel gericht zijn op het recidiverisico”. Het opnemen van deze voorwaarden achtte de rechter-commissaris “niet zuiver”, omdat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis niet was gebaseerd op de recidivegrond, maar enkel op de grond dat sprake was van een ‘12-jaarsfeit’ en de ernstig geschokte rechtsorde.13
Er waren daarentegen ook verschillende zaken waarin een verband tussen de gronden van het bevel tot voorlopige hechtenis een de aan de schorsing verbonden bijzondere voorwaarden niet of nauwelijks was te herkennen. Een treffend voorbeeld was de eerder aangehaalde zaak van een 15-jarige first offender die werd verdacht van het voorbereiden van een overval, waarin de voorlopige hechtenis werd bevolen op grond van het onderzoeksbelang, omdat de medeverdachte nog voortvluchtig was. Aan de schorsing van dit bevel werd door de rechter-commissaris, naast een – gelet op het onderzoeksbelang voor de hand liggend – contactverbod met medeverdachte, ook huisarrest en verplicht naar school gaan als bijzondere voorwaarden verbonden; voorwaarden die geenszins kunnen worden gerelateerd aan het onderzoeksbelang dat ten grondslag lag aan het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.14
Een ander voorbeeld is een zaak waarin de rechter-commissaris de inbewaringstelling beval op de grond van het ‘12-jaarsfeit’ en de ernstig geschokte rechtsorde, de op de vordering van de officier van justitie opgenomen onderzoeksgrond niet overnam, maar aan de schorsing van het bevel wel de bijzondere voorwaarde verbond dat de verdachte geen contact mocht zoeken met medeverdachte.15 De betreffende rechter-commissaris verklaart dit nadien tijdens een interview als volgt:
“‘Geen contact met medeverdachte’, dat is ook een redelijke standaard [voorwaarde, YB], omdat die vaak een niet zo’n hele denderende invloed op elkaar hebben, is dat niet zo handig om die weer samen te laten optrekken.”16
Een andere rechter-commissaris deelt deze opvatting niet en stelde na afloop van een andere geobserveerde voorgeleiding jegens de onderzoeker:
“Voorwaarden moeten wel echt nodig zijn. Bijvoorbeeld een contactverbod met medeverdachte wordt soms wel heel erg makkelijk opgelegd. Dat doe ik alleen bij de onderzoeksgrond of als er bij medeverdachten één wel bekent en de ander niet bekent.”17
Voorts lijkt ook het proportionaliteitsbeginsel een rol te kunnen spelen bij de beslissing van de rechter over het verbinden van bijzondere voorwaarden aan de schorsing. Zoals in paragraaf 7.4.3.2 reeds is aangehaald, stelt een raadkamerrechter zich tijdens een interview op het standpunt dat de zwaarte van de schorsingsvoorwaarden in redelijke verhouding moeten staan met de ernst van het feit en de ‘sterkte’ van de ernstige bezwaren: “dan geldt ook weer die proportionaliteit, van hoe ernstiger het feit en hoe sterker de ernstige bezwaren, hoe zwaarder de schorsingsvoorwaarden mogen zijn.”18 Een andere raadkamerrechter stelt eveneens dat de intensiteit van de schorsingsvoorwaarden in verhouding moet staan met de ernst van het strafbare feit, ook als de jeugdige volgens de hulpverlenende instanties intensievere voorwaarden nodig heeft.19
Verder kan ook de onschuldpresumptie in meer of mindere mate van invloed zijn op de rechterlijke beslissing betreffende de aan de schorsing te verbinden bijzondere voorwaarden. Dit kan met name een rol spelen bij intensieve begeleidings- of behandelingstrajecten of ‘bestraffende’ voorwaarden. Sommige rechters menen dat het zuiverder is om dergelijke interventies na veroordeling in het kader van een voorwaardelijke straf of GBM of in de vorm van een leer- of werkstraf op te leggen. Andere rechters vinden dat het (pedagogische) hulpverleningsbelang dergelijke schorsingsvoorwaarden wel kunnen rechtvaardigen. Een raadkamerrechter verwoordt dit tijdens een interview als volgt:
“Mag je een ITB CRIEM of Harde Kern als schorsingsvoorwaarden opleggen, dus echt al een behandeling? Iemand gaat daar in mee omdat hij graag in vrijheid wilt worden gesteld, terwijl hij eigenlijk wel iets verplichts gaat doen, ook als hij zich al die tijd op zijn zwijgrecht heeft beroepen of altijd heeft ontkend, terwijl hij dat bij een vrijspraak helemaal niet had hoeven doen. En ja, dat wringt. Aan de andere kant denk ik dat de hulpverleningsbelangen toch wel zwaar wegen bij minderjarigen en dat maakt dat ik daar op zich toch wel minder moeite mee zou hebben, vooral als je ziet dat er dan een heel systeem om hem heen is die betrokken is om het tij te keren. Dan heb ik het met name over minderjarigen die aan het afglijden zijn.”20
Tijdens het observatieonderzoek werd herhaaldelijk een intensief begeleidings- of behandelingstraject als bijzondere voorwaarde aan een schorsing verbonden. In één zaak sprak de rechter-commissaris – overigens zonder dit als bijzondere schorsingsvoorwaarde in de beschikking op te nemen – zelfs met een bekennende jeugdige verdachte af dat hij alvast aan een taakstraf kon beginnen gedurende de schorsing.21 Een raadkamerrechter van dezelfde rechtbank legt deze werkwijze tijdens een interview uit:
“Wat wij ook veel doen is: al in de fase van het voorarrest wordt een afspraak gemaakt… je biedt een werkstraf aan van 30 uur en dat is eigenlijk dus al in de buurt van ‘op gespannen voet met de onschuldpresumptie’. Maar toch wordt dat veel gedaan. Dat heeft ook voordelen, want de verdachte weet waar hij aan toe is. Hij verricht die straf en meestal komt hij dan op de zitting met een positief verhaal. Dat maakt een goede indruk. Dan is het toch iemand waar je afspraken mee kunt maken. En dan krijgt hij in de praktijk eigenlijk nooit meer dan die strafmaat. Dus daar maakt men royaal gebruik van, wat je er ook theoretisch van kunt zeggen.”22
Uit zowel de observaties als de interviews wordt duidelijk dat sommige rechters de hulpverleningsbelangen voorop stellen als het gaat om het verbinden van bijzondere voorwaarden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Deze rechters zien dit als het moment om alle hulpverlening in te zetten die nodig is om de jeugdige weer op het juiste pad te brengen en zeggen zich daarbij niet beperkt te voelen door juridische beginselen, zoals de subsidiariteit, proportionaliteit en de onschuldpresumptie. Zo zegt één van de geïnterviewde raadkamerrechters de hulpverleningsbelangen in dit kader als “hogere doelen” te beschouwen.23 Een rechter-commissaris legt tijdens een interview, in reactie op ‘Casus Jeffrey’ (zie par. 7.3.1), uit hoe hij – na de formele behandeling van de wettelijke criteria voor het bevelen van voorlopige hechtenis – “helemaal los komt” zodra hij de bijzondere voorwaarden gaat bepalen die aan de schorsing van het bevel worden verbonden.
“De eerste vraag is: bewaring? Ja, op grond van herhalingsgevaar. En dan kom ik helemaal los zeg maar: een onderzoek naar de persoon als het even kan, school is belangrijk en hij is bezig dat te verpesten als hij met dat middelengebruik doorgaat en elke avond met vrienden op straat hangt. Dus dat gedrag moet veranderen, jeugdreclassering erop, al die voorwaarden die zijn gedrag kunnen beïnvloeden. En voor zo’n jongen, daar hoef je geen deskundige voor te zijn, [om te zien] dat hij baat heeft bij agressietraining. (…) Je probeert de dingen waar hij mee bezig is om zichzelf in de spiraal naar beneden te begeven, om die dingen eruit te halen.”24
Aldus is duidelijk dat als het gaat om het bepalen van schorsingsvoorwaarden ogenschijnlijk alle rechters er naar streven om “maatwerk” te leveren, maar dat de wijze waarop zij dit maatwerk leveren sterk afhangt van hun perceptie van de functie van schorsingsvoorwaarden en van de grenzen die het juridische kader stelt aan het verbinden van bijzondere voorwaarden aan een schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze rechterlijke percepties blijken sterk uiteen te kunnen lopen, hetgeen indiceert dat geen sprake is van een uniforme wijze waarop in de Nederlandse jeugdstrafrechtspraktijk door rechters wordt omgegaan met bijzondere schorsingsvoorwaarden.