Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.5.1.2
7.5.1.2 Schorsingsbeslissing
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Lees: de vragen die de onderzoeker na afloop van een voorgeleiding of raadkamerzitting aan de rechter-commissaris of raadkamer heeft gesteld om de onderliggende redenen van de in de betreffende zaak genomen schorsingsbeslissing helder te krijgen.
Interview raadkamerrechter B.
Interview raadkamerrechter D.
Interview raadkamerrechter G.
Raadkamerzitting 11.
O.a. Voorgeleiding 31; Raadkamerzitting 54.
Raadkamerzitting 62.
Interview raadkamerrechter J.
Voorgeleiding 3. Deze verdachte was overigens al eerder tot een taakstraf veroordeeld voor diefstal, hetgeen een reden was om, ondanks de relatief geringe ernst van de verdenking, wel op basis van de recidivegrond voorlopige hechtenis te bevelen en te schorsen onder voorwaarden.
In deze zaken wordt voorgeleid met het oog op een schorsing om zo door middel van bijzondere voorwaarden de benodigde hulpverlening te faciliteren.
Voorgeleiding 7; Raadkamerzitting 55; Raadkamerzitting 132; Raadkamerzitting 133.
Indien de rechter de ernstige geschokte rechtsorde volledig baseert op de ernst van het feit als zodanig (zie par. 7.4.3.2, onder B), lijkt bij de schorsingsbeslissing nog al eens het hierboven in paragraaf 7.5.1.2, onder A beschreven mechanisme in werking te treden: de ernst van het feit staat in de weg aan een schorsing.
Raadkamerzitting 110.
O.a. Voorgeleiding 8; Voorgeleiding 59; Voorgeleiding 62; Voorgeleiding 63; Voorgeleiding 70.
Voorgeleiding 8.
Raadkamerzitting 28.
Raadkamerzitting 16.
Raadkamerzitting 69.
Raadkamerzitting 19; Raadkamerzitting 59.
Voorgeleiding 38.
O.a. Voorgeleiding 40; Voorgeleiding 58; Raadkamerzitting 21; Raadkamerzitting 83; Raadkamerzitting 100.
Voorgeleiding 62.
Interview raadkamerrechter I.
Interview raadkamerrechter O.
Raadkamerzitting 62.
Voorgeleiding 64.
Voorgeleiding 13.
O.a. Voorgeleiding 19; Voorgeleiding 33; Voorgeleiding 56; Raadkamerzitting 7; Raadkamerzitting 125.
Voorgeleiding 13; Voorgeleiding 56; Raadkamerzitting 5.
Interview raadkamerrechter I.
Voorgeleiding 67; Voorgeleiding 70.
Voorgeleiding 69; Raadkamerzitting 1.
Raadkamerzitting 96.
Voorgeleiding 13; Raadkamerzitting 26; Raadkamerzitting 124.
Raadkamerzitting 3.
Raadkamerzitting 107.
Raadkamerzitting 16; Raadkamerzitting 67; Raadkamerzitting 93.
Interview raadkamerrechter J.
Tijdens de geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzittingen waarin de hulpverlenende instanties advies uitbrachten, werd dit advies in circa 80% van de gevallen gevolgd door de rechter. Dit vindt steun in de bevindingen van Van den Brink e.a. (2017), waaruit volgt dat het advies van de Raad voor de Kinderbescherming een zeer sterke voorspeller is van de beslissing van de rechter-commissaris over de schorsing. Vgl. ook het onderzoek van Walberg & Reitsma (2015, p. 17), waarin op basis van de beschikbare data uit de registratiesystemen van de Raad voor de Kinderbescherming wordt ingeschat dat circa 81% van de adviezen van de Raad over de schorsing onder voorwaarden geheel of gedeeltelijk wordt gevolgd door de rechter-commissaris.
Voorgeleiding 2; Voorgeleiding 15; Voorgeleiding 29; Voorgeleiding 58; Raadkamerzitting 1; Raadkamerzitting 98.
Interview rechter-commissaris H.
Interview raadkamerrechter T.
Interview raadkamerrechter B.
Interview raadkamerrechter J
O.a: Voorgeleiding 36; Raadkamerzitting 32; Raadkamerzitting 69; Raadkamerzitting 108; Raadkamerzitting 115.
O.a. Voorgeleiding 40; Voorgeleiding 59; Raadkamerzitting 107; Raadkamerzitting 116; Raadkamerzitting 124.
O.a. Voorgeleiding 56; Raadkamerzitting 7; Raadkamerzitting 8; Raadkamerzitting 9; Raadkamerzitting 20.
Voorgeleiding 19.
Raadkamerzitting 51. En voorts o.a.: Voorgeleiding 62; Raadkamerzitting 26; Raadkamerzitting 62; Raadkamerzitting 87.
O.a. Voorgeleiding 8; Raadkamerzitting 44; Raadkamerzitting 116; Raadkamerzitting 130; Raadkamerzitting 131.
Raadkamerzitting 129.
Raadkamerzitting 131.
Raadkamerzitting 81.
O.a. Raadkamerzitting 46; Raadkamerzitting 59; Raadkamerzitting 87; Raadkamerzitting 106; Raadkamerzitting 114.
Raadkamerzitting 114.
Raadkamerzitting 35.
Dergelijke raadkamerzittingen zijn inhoudelijk weinig ‘juridisch’. De juridische criteria voor het bevelen van de voorlopige hechtenis (ernstige bezwaren, gronden etc.) komen niet aan bod. De praktische haalbaarheid van de schorsing staat centraal.
O.a. Voorgeleiding 29; Raadkamerzitting 89; Raadkamerzitting 100; Raadkamerzitting 116; Raadkamerzitting 131;
Voorgeleiding 38; Voorgeleiding 40; Voorgeleiding 59; Raadkamerzitting 107; Raadkamerzitting 109; Raadkamerzitting 140.
Zie ook onderstaande sub paragraaf 7.5.1.2, onder E over het verband tussen het vertrouwen van de rechter in een goed verloop van de schorsing en het geven van een kans aan de verdachte om te laten zien dat hij de schorsing ‘aankan’.
Raadkamerzitting 140.
Interview raadkamerrechter C.
Voorgeleidingen 35 en 36.
Interview raadkamerrechter D.
Raadkamerzitting 86.
Voorgeleiding 28; Raadkamerzitting 17; Raadkamerzitting 57; Raadkamerzitting 139.
Interview rechter-commissaris P.
Interview raadkamerrechter S.
Interview raadkamerrechter J
Voorgeleiding 38; Raadkamerzitting 15; Raadkamerzitting 96; Raadkamerzitting 99; Raadkamerzitting 117.
Voorgeleiding 36 (na afloop).
Raadkamerzitting 39.
Raadkamerzitting 105.
Raadkamerzitting 39.
Raadkamerzitting 43.
Raadkamerzitting 28.
Voorgeleiding 44; Raadkamerzitting 99; Raadkamerzitting 117.
Voorgeleiding 44; Raadkamerzitting 96.
Voorgeleiding 49.
Raadkamerzitting 30.
Voorgeleiding 38; Raadkamerzitting 15; Raadkamerzitting 96.
Voorgeleiding 2.
Voorgeleiding 54.
Voorgeleiding 58; Raadkamerzitting 21; Raadkamerzitting 28; Raadkamerzitting 65; Raadkamerzitting 100; Raadkamerzitting 130.
Voorgeleiding 43; Raadkamerzitting 96.
Raadkamerzitting 145.
Interview rechter-commissaris L.
Voorgeleiding 8.
Voorgeleiding 64.
Raadkamerzitting 132.
Raadkamerzitting 154.
Raadkamerzitting 154 (na afloop)
Interview raadkamerrechter B.
Interview raadkamerrechter C.
Interview raadkamerrechter N
Interview raadkamerrechter T.
De schorsingsbeslissing wordt tijdens de interviews door verschillende rechters aangeduid als een afweging tussen strafvorderlijke belangen (die zich verzetten tegen schorsing) en persoonlijke belangen van de verdachte (die worden gediend door schorsing). Tijdens het observatieonderzoek kwam dit eveneens regelmatig naar voren in de mondelinge en schriftelijke motivering van de schorsingsbeslissing. Zo betrof bij één van de onderzochte rechtbanken de standaardmotivering van de schorsingsbeslissing in de beschikkingen van de raadkamer: ‘de strafvorderlijke belangen wegen op dit moment zwaarder dan de persoonlijke belangen van de verdachte’ of vice versa, zonder nader invulling te geven aan deze belangen.
Het is echter de vraag of hiermee recht wordt gedaan aan het multidimensionale karakter van de schorsingsbeslissing. Uit de observaties tijdens het raadkameroverleg en uit de nabesprekingen met rechters na afloop van de geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzittingen blijkt namelijk dat de schorsingsbeslissing zich veelal niet beperkt tot een kale afweging van strafvorderlijke belangen en persoonlijke belangen van de verdachte, maar dat een veelheid aan uiteenlopende factoren van invloed kan zijn op deze beslissing. Wel kan een aantal (grove) lijnen worden ontdekt in de wijze waarop rechters de schorsingsbeslissing benaderen. Uit de factoren en benaderingen die tijdens de geobserveerde raadkameroverleggen en in de nabesprekingen van concrete zaken1 de revue passeerden, kunnen grofweg vijf elementen worden onderscheiden die – in meer of mindere mate – worden meegenomen en doorslaggevend kunnen zijn in de schorsingsbeslissing. Deze elementen kunnen worden vertaald in de volgende vijf vragen die rechters zichzelf (of elkaar) – impliciet of expliciet – lijken te stellen gedurende het besluitvormingsproces over de schorsing:
Hoe verhoudt een schorsing zich tot de ernst van het feit?
Zijn er concrete, zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen schorsing?
Zijn er concrete, zwaarwegende belangen die welhaast dwingen tot schorsing?
Heeft de rechter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de jeugdige verdachte, de bijzondere voorwaarden die aan de schorsing kunnen worden verbonden en het advies c.q. schorsingsplan van de hulpverlenende instanties, vertrouwen in een positief verloop van de schorsing?
Moet de jeugdige verdachte een ‘kans’ krijgen?
Hierbij moet worden benadrukt dat de bovenstaande opsomming van vragen geenszins moet worden opgevat als een vaststaand besluitvormingsschema dat rechters in de praktijk standaard aflopen alvorens te komen tot een schorsingsbeslissing. Uit het observatieonderzoek komt naar voren dat het per geval verschilt welke elementen een rol spelen in het besluitvormingsproces, alsook welke elementen uiteindelijk doorslaggevend zijn in de schorsingsbeslissing. De combinatie van elementen die in een concreet geval ten grondslag liggen aan een schorsingsbeslissing is, evenals de invulling van deze elementen, sterk afhankelijk van de opvattingen van de rechter-commissaris of raadkamer die de beslissing neemt, alsook van de specifieke omstandigheden van het geval. In de onderstaande subparagrafen zal inzichtelijk worden gemaakt hoe de genoemde elementen de schorsingsbeslissing kunnen beïnvloeden.
A. De ernst van het feit
Uit de observaties van voorgeleidingen en raadkamerzittingen, in het bijzonder van het raadkameroverleg, blijkt dat de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft veelal een centrale rol speelt in de schorsingsbeslissing. Met name in de zwaardere zaken die zich nog in de vroege voorfase van het strafproces bevinden (lees: de eerste raadkamer) wordt tijdens het raadkameroverleg nog wel eens de (voor)vraag opgeworpen of de ernst van het feit op dit moment een schorsing überhaupt ‘toelaat’. Als deze vraag negatief wordt beantwoord, dan wordt in sommige gevallen in feite niet eens meer toegekomen aan een afweging van concrete belangen. Dat wat in de motivering wordt aangeduid als ‘strafvorderlijke belangen’ wordt in dergelijke gevallen welhaast volledig ingevuld door de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft, hetgeen volgens de betreffende rechter(s) op dat moment per definitie in de weg staat aan een schorsing, ongeacht de eventuele aanwezigheid van persoonlijke of andersoortige belangen die met een schorsing zouden worden gediend. Toch wordt de beslissing om niet te schorsen ook in dergelijke gevallen geregeld – bij sommige rechtbanken zelfs standaard – uitgelegd als het resultaat van een ‘afweging’, waarbij ‘de strafvorderlijke belangen zwaarder wegen dan de persoonlijke belangen van de verdachte’. Deze praktijk wordt ook tijdens een interview bevestigd door een raadkamerrechter:
“Dat we ook weleens zeggen als het een heel ernstig feit is: ‘strafvorderlijk belang en klaar ’. Dus dan komt eigenlijk jouw persoonlijk belang helemaal niet om de hoek kijken. (…) Want als het zo zou zijn van ‘allemaal goed joh, honderd punten, zo’n [goede] jongen’, maar hij heeft wel iemand overhoop geschoten, dan zijn we klaar. Dan is het al zo’n ernstige verdenking dat het hele schorsen…[niet meer aan de orde komt, YB]. Dan is het wel heel sterk het feit wat dan het strafvorderlijke belang invult.”2
Toch zijn er tijdens het observatieonderzoek ook zaken langsgekomen waarin de schorsingsbeslissing, ondanks dat sprake was van een zeer ernstige verdenking, wel het resultaat was van een daadwerkelijke afweging van belangen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in zaken waarin sprake is van een zodanig evident zwaarwegend persoonlijk belang van de verdachte dat de rechter, ondanks de ernst van het strafbare feit, in feite werd gedwongen om een schorsing te overwegen (zie par. 7.5.1.2, onder C.). In dergelijke gevallen staat de ernst van het feit dus niet per definitie in de weg aan een schorsing, maar is dit wel bepalend voor het uitgangspunt in de schorsingsbeslissing, waarvan enkel op basis van zeer zwaarwegende belangen en factoren wordt afgeweken. Dit komt ook naar voren tijdens een interview met een raadkamerrechter:
“Als iemand met een gewapende overval bezig is en daar een behoorlijke betrokkenheid bij heeft, dan moet het heel bijzonder zijn – ik zeg niet nooit, want die persoonlijke omstandigheden kunnen ook heel extreem zijn – om te schorsen. Dan is het uitgangspunt toch wel dat we dan echt niet gaan schorsen.”3
Zaken waarin de ernst van het feit volgens de rechter in de weg staat aan een schorsing hebben veelal betrekking ‘12-jaarsfeiten’. In dergelijke gevallen kan de beslissing om niet te schorsen op basis van de ernst van het feit verband houden met de grond van de ernstig geschokte rechtsorde (art. 67a, tweede lid, onder 1° Sv) en de – daarmee samenhangende – rechterlijke overtuiging dat de vrijlating van de verdachte zal leiden tot maatschappelijke onrust en/of onbegrip (zie ook: par. 7.4.3.2, onder C).
“De ernst van het delict bijvoorbeeld. Dan komt toch weer die geschokte rechtsorde. Als je bijvoorbeeld twee oude mensen in huis overvalt en dan tegen één van de twee zeggen ‘je man is al dood’, nou dat vind ik zo schokkend… En ook dat dan rondzingt van ‘hebben ze die geschorst? Nou dan spijker ik mijn huis helemaal dicht.’ Dus er zijn een aantal ernstige gevallen… (…) Dan moet er wel iets heel bijzonders tegenover staan om te kunnen schorsen. En dat kan. Het kan zijn dat iemand dus niet in nachtdetentie kan en die bijvoorbeeld volgende week examen moet doen. Dan kan je voor die tijd die nachtdetentie niet meer regelen, nou, dan maar schorsen.”4
Tijdens de observaties zijn echter ook zaken langsgekomen waarin deze grond niet ten grondslag lag aan het bevel tot voorlopige hechtenis, maar de schorsing niettemin werd afgewezen op basis van de ernst van het feit. Zo werd tijdens een raadkamerzitting de gevangenhouding bevolen van een minderjarige die werd verdacht van vijf woninginbraken op grond van recidivegevaar (art. 67a, tweede lid, onder 2° Sv), waarna werd overwogen dat op dat moment de ernst van de feiten in de weg stond aan een schorsing.5 In dergelijke gevallen lijkt het in paragraaf 7.4.4.5 beschreven mechanisme tot uitdrukking te komen: de interactie tussen de beslissingen in het kader van de voorlopige hechtenis en de uiteindelijke straftoemeting maakt dat het anticiperen op de mogelijk op te leggen straf – het “omgedraaide” artikel 67a, derde lid Sv – een sturende werking kan hebben ten aanzien van het moment waarop de voorlopige hechtenis wordt geschorst. Dit kwam nog explicieter naar voren tijdens geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzittingen waar werd overwogen dat het, gelet op de ernst van het feit, nog “te vroeg” was om te schorsen,6 waarbij in één zaak zelfs expliciet werd opgemerkt: “als het feit wordt bewezen, dan heb je nog niet lang genoeg gezeten.”7
Hier staat tegenover dat, indachtig de in paragraaf 7.5.1.1 beschreven uiteenlopende rechterlijke percepties van artikel 493, eerste lid Sv, sommige rechters tijdens het interview het standpunt innemen dat de ernst van het feit nooit in de weg mag staan aan een schorsing, tenzij het gevaar voor herhaling van een dergelijk ernstig strafbaar feit niet verantwoord kan worden afgewend.
“En de ernst van het feit, natuurlijk dat speelt een rol, maar alleen met betrekking tot de vraag: hoe ernstiger het feit, hoe heftiger natuurlijk de vraag van de recidive speelt, hoe pittiger het pakket [aan schorsingsvoorwaarden, YB] moet zijn om het recidivegevaar verantwoord te keren. Maar als dat pittig genoeg is en het is verantwoord, ja dan moet er geschorst worden.”8
Desalniettemin komt uit het observatieonderzoek een beeld naar voren van een voorlopige hechtenispraktijk waarin de ernst van het feit doorgaans een zeer dominante rol speelt in de schorsingsbeslissing, hetgeen er in zware zaken geregeld toe leidt dat tijdens het raadkameroverleg niet eens meer wordt toegekomen aan de vraag welke schorsingsvoorwaarden het recidivegevaar zouden kunnen keren en de schorsing verantwoord zouden maken.
Tegelijkertijd kan de dominante rol van de ernst van het feit in de schorsingsbeslissing ook andersom werken: de geringe ernst van het feit – of het geringe aandeel van de verdachte daarin (vgl. casus ‘Bart’ in bijlage 6) – kan de rechter er namelijk toe aanzetten om juist wel over te gaan tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Zo was de relatief geringe ernst van het strafbare feit voor de rechter-commissaris een voorname reden om tot schorsing te beslissen in een zaak van een 16-jarige die werd verdacht van diefstal van de portemonnee en telefoon van zijn leerkracht op school.9 Dit kan verband houden met het in artikel 67a, derde lid Sv neergelegde anticipatiegebod en de in paragraaf 7.4.4.4 beschreven praktijk van het door middel van een schorsing anticiperen op dit anticipatiegebod.
Een bijzondere categorie zaken zijn de voorgeleidingen van minderjarigen die worden verdacht van een delict van (relatief) geringe ernst, waarvoor normaliter geen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf of maatregel zal worden opgelegd, maar waarbij wel sprake is van veel persoonlijke problematiek (vgl. casus ‘Jeffrey’ in par. 7.3.1).10 In deze zaken staat artikel 67a, derde lid Sv in beginsel in de weg aan het bevelen van voorlopige hechtenis. In de praktijk wordt hier echter nog wel eens soepel mee omgegaan als de minderjarige volgens de rechter-commissaris baat heeft bij de hulpverlening die in het kader van de schorsing kan worden geboden (zie par. 7.4.4.3). De afweging die de rechter-commissaris in een dergelijk geval moet maken is evenwel niet zozeer gelegen in de schorsingsbeslissing, doch in de bevelsbeslissing: zijn de belangen van de minderjarige verdachte om in het kader van de schorsing hulpverlening te krijgen zodanig dat de rechter-commissaris bereid is om af te stappen van een strikte lezing van artikel 67a, derde lid Sv en de voorlopige hechtenis beveelt? Als de rechter-commissaris in zo’n geval de voorlopige hechtenis beveelt, dan spreekt voor zich dat hij vervolgens de tenuitvoerlegging van het bevel direct zal schorsen; niet alleen om zo door middel van schorsingsvoorwaarden de beoogde hulpverlening te faciliteren, maar ook omdat de geringe ernst van het feit in de weg staat aan de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis.
B. Zwaarwegende belangen om niet te schorsen
Uit de observaties tijdens voorgeleidingen en raadkamerzittingen, alsook uit de interviews blijkt dat, naast de ernst van het feit, verschillende belangen zich kunnen verzetten tegen de schorsing van de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte. Een aantal belangen worden uitgelicht.
In de bovenstaande paragraaf 7.4.3 werd reeds duidelijk dat de traditionele strafvorderlijke belangen die voortvloeien uit de gronden voor voorlopige hechtenis, als neergelegd in artikel 67a, eerste en tweede lid Sv, in de weg kunnen staan aan een schorsing. Uit de interviews volgt dat verschillende rechters met name de onderzoeksgrond, de grond van de ernstig geschokte rechtsorde en de grond van vluchtgevaar inherent moeilijk te verenigen vinden met een schorsing. In gevallen waarin de rechter de onderzoeksgrond aanneemt, omdat er sprake is van collusiegevaar, kan een schorsing de verdachte immers alsnog in de gelegenheid stellen om het onderzoek te frustreren (zie par. 7.4.3.3, onder C). Het is dan ook niet verrassend dat tijdens het observatieonderzoek in verschillende zaken werd besloten om de voorlopige hechtenis niet te schorsen vanwege het onderzoeksbelang.11 Ook de ernstig geschokte rechtsorde werd in een aantal geobserveerde zaken beschouwd als een grond om niet tot schorsing over te gaan. De spanning tussen deze grond voor voorlopige hechtenis en een schorsing is evident, zeker indien de rechter het criterium van de ernstig geschokte rechtsorde baseert op de publieke reactie op de vrijlating van de verdachte (zie par. 7.4.3.2, onder C).12 Hierbij kan, behalve het maatschappelijk belang, ook de veiligheid van de verdachte zelf zich verzetten tegen een schorsing. Zo overwoog de raadkamer in een zaak van een 15-jarige verdachte van een poging doodslag, waarvoor veel media-aandacht was, dat “het risico op repercussies” te groot was als de verdachte op dat moment zou worden geschorst.13 Tot slot ligt een schorsing volgens verschillende geïnterviewde rechters ook niet voor de hand als de voorlopige hechtenis is bevolen vanwege vluchtgevaar.
Toch hoeven de genoemde gronden voor voorlopige hechtenis niet per definitie in de weg te staan aan een schorsing. Tijdens het observatieonderzoek kwamen verschillende zaken voorbij waarin de rechter-commissaris of raadkamer (mede) op grond van het onderzoeksbelang en/of de ernstig geschokte rechtsorde het bevel tot voorlopige hechtenis afgaf, maar desalniettemin besloot de voorlopige hechtenis te schorsen.14 Hiervoor lijken grofweg twee verklaringen te kunnen worden gevonden. Een eerste verklaring is dat de belangen om wel te schorsen, bijvoorbeeld de persoonlijke belangen van de verdachte, volgens de betreffende rechter(s) op een bepaald moment zwaarder wegen dan de belangen om niet te schorsen (zie onderstaande subparagraaf C). Zoals in paragrafen 7.4.3.2, onder F en 7.4.3.3 onder D reeds is beschreven, kan tijdsverloop hierbij een belangrijke factor zijn.
Een andere (of aanvullende) verklaring waarom rechters in sommige gevallen, ondanks het aannemen van de onderzoeksgrond en/of de grond van de ernstig geschokte rechtsorde, toch tot schorsing overgaan, is dat zij menen dat door middel van schorsingsvoorwaarden tegemoet kan worden gekomen aan deze strafvorderlijke belangen (zie onderstaande subparagraaf D). Zo ook in een zaak van een 15-jarige first offender die werd verdacht van voorbereiding van een overval, waarin de rechter-commissaris enkel op basis van de onderzoeksgrond een bevel tot inbewaringstelling afgaf, maar desondanks besloot om de tenuitvoerlegging van dat bevel te schorsen met als één van de bijzondere voorwaarden een contactverbod met de medeverdachte om daarmee het collusiegevaar te beperken.15 In een zaak waar de ‘12-jaarsgrond’ werd aangenomen meende de rechter door middel van een stevig pakket aan schorsingsvoorwaarden, inclusief een verbod om contact op te nemen met het slachtoffer en diens van familie, de ‘ernstig geschokte rechtsorde’ (enigszins) te ondervangen.16
Uit de interviews kan worden afgeleid dat verschillende rechters menen dat de recidivegrond (artikel 67a, tweede lid, onder 2° en 3° Sv) zich in beginsel beter laat verenigen met een schorsing dan de andere gronden. Hiermee houdt verband dat deze rechters de bijzondere voorwaarden die aan een schorsing kunnen worden verbonden, beschouwen als instrumenten die primair zijn ontwikkeld om recidive te voorkomen. Toch blijkt uit de observaties dat een ernstig recidivegevaar wel degelijk in de weg kan staan aan een schorsing. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de rechter er geen vertrouwen in heeft dat het recidivegevaar afdoende kan worden inperkt door middel van bijzondere voorwaarden die op dat moment aan de schorsing kunnen worden verbonden (zie onderstaande subparagraaf D). Zo overwoog de raadkamer in een zaak van een 17-jarige verdachte van een poging tot inbraak dat de voorlopige hechtenis niet kon worden geschorst, omdat het recidivegevaar zodanig hoog was dat schorsing alleen een mogelijkheid zou kunnen zijn als daaraan ITB Harde Kern als schorsingsvoorwaarde kon worden verbonden. Het ITB Harde Kern haalbaarheidsonderzoek was destijds nog niet afgerond, waardoor een schorsing naar het oordeel van de raadkamer op dat moment niet verantwoord was.17
Ook kan het recidivegevaar in de weg staan aan een schorsing in gevallen waarin er sprake is van een zodanige persoonlijke problematiek bij de verdachte dat waarschijnlijk een intramurale behandeling nodig zal zijn om recidive te kunnen voorkomen. Zo werd in een zaak van een 16-jarige, die werd verdacht van een aantal ernstige geweldsdelicten, tijdens het raadkameroverleg overwogen dat de voorlopige hechtenis niet kon worden geschorst, omdat de uitkomsten van het reeds afgenomen persoonlijkheidsonderzoek een beeld schetsten van een agressieve, impulsieve verdachte die geen enkel inzicht toont in zijn eigen handelen en daardoor recidivegevaarlijk moest worden geacht. Hierbij was doorslaggevend dat het slachtoffer niet veilig zou zijn als de verdachte op dat moment zou worden geschorst en dat het zeker niet kon worden uitgesloten dat de zittingsrechters bij veroordeling een PIJ-maatregel zouden opleggen.
Uit de observaties bij de rechtbanken volgt voorts dat ook een nog uit te voeren, dan wel lopend (intramuraal) persoonlijkheidsonderzoek een reden kan zijn om niet te schorsen. Dit kan samenhangen met het recidiverisico. Een voorbeeld van een zaak waarin dit speelde betrof een 14-jarige first offender die werd verdacht van een gewapende overval op een café. In deze zaak stelde de raadkamer zich op het standpunt dat er te veel onduidelijk was over de persoonlijke problematiek van de verdachte die ten grondslag lag aan het (vermeende) delict. De raadkamer was van oordeel dat een persoonlijkheidsonderzoek nodig was om dit inzichtelijk te maken en scherp te krijgen wat nodig zou zijn om recidive te voorkomen, alvorens aan schorsing te kunnen denken.18 Voorts kan ook het belang dat de zittingsrechter goed geïnformeerd een beslissing moet kunnen nemen over de mate van toerekenbaarheid van de verdachte en over een passende sanctie een rol spelen bij de beslissing om niet te schorsen. In sommige gevallen kan weliswaar aan dit belang tegemoet worden gekomen met een ambulant persoonlijkheidsonderzoek, maar er zijn ook gevallen waarin de rechter-commissaris of raadkamer het noodzakelijk acht dat het persoonlijkheidsonderzoek intramuraal wordt uitgevoerd. Zo werd in een zaak van een 16-jarige verdachte van een zware mishandeling tijdens het raadkameroverleg overwogen dat het noodzakelijk bevonden persoonlijkheidsonderzoek niet in de thuissituatie, maar intramuraal moest worden uitgevoerd, omdat de raadkamer het risico te groot achtte dat het thuisfront van de verdachte het persoonlijkheidsonderzoek zou frustreren. Dit impliceerde dat van een schorsing van de voorlopige hechtenis op dat moment geen sprake kon zijn.
Tot slot blijkt ook het welzijn en de veiligheid van de minderjarige verdachte voor rechters een zwaarwegend belang te zijn dat in de weg kan staan aan het schorsen van de voorlopige hechtenis. Met name in gevallen waarin de minderjarige geen (geschikte) woon- of verblijfplaats heeft, wordt een schorsing van de voorlopige hechtenis soms niet in het belang van de minderjarige geacht. Een voorbeeld is de – in de woorden van één van de betrokken raadkamerrechters – “trieste” zaak van een 17-jarige, met een IQ van 50, de emotionele vermogens van een 2-jarige en ernstige gedragsproblemen, die in voorlopige hechtenis was genomen op verdenking van brandstichting in zijn eigen kamer in een civiele jeugdhulpinstelling. Hoewel alle tijdens de raadkamerzitting aanwezige personen en instanties het erover eens waren dat de justitiële jeugdinrichting geen geschikte plaats was voor deze kwetsbare verdachte, waren zij het er tevens over eens dat de voorlopige hechtenis op dat moment toch niet kon worden geschorst, omdat de gezinsvoogd nog geen civiele jeughulpinstelling bereid had gevonden om de verdachte op te vangen en een terugkeer van verdachte naar zijn ouders onverantwoord werd geacht.19 Dit voorbeeld maakt duidelijk dat in de praktijk niet alleen ‘strafvorderlijke belangen’ zich kunnen verzetten tegen schorsing en dat persoonlijke belangen van de verdachte niet per definitie worden gediend met een schorsing.
C. Zwaarwegende belangen om wel te schorsen
Uit het observatieonderzoek en de interviews volgen dat verschillende belangen ertoe kunnen bijdragen dat de rechter besluit om de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte juist wel te schorsen. Deze belangen kunnen veelal in de kern worden teruggevoerd tot het uitgangspunt dat de minderjarige verdachte zo min mogelijk in zijn ontwikkeling mag worden geschaad door de inzet van strafvorderlijke dwangmiddelen.
Het belang dat schade aan de ontwikkeling van de minderjarige wordt voorkomen, is heel direct aan de orde in zaken waarin de hulpverlenende instanties expliciet aangeven dat de jonge leeftijd, het lage ontwikkelingsniveau en/of de persoonlijke problematiek van de verdachte met zich brengen dat de justitiële jeugdinrichting absoluut geen geschikte plaats is voor de verdachte. Zo speelde de persoonlijke problematiek een centrale rol in de beslissing van de rechter-commissaris om over te gaan tot schorsing van de inbewaringstelling in een zaak waarin de jeugdige verdachte leed aan claustrofobie, hetgeen tijdens zijn verblijf in de politiecel had geleid tot angstaanvallen.20 Voorts werd in een aantal geobserveerde zaken de jonge leeftijd van de verdachte uitdrukkelijk aangehaald ter onderbouwing van de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis. In deze zaken betrof het telkens een verdachte in de leeftijd van 13, 14 of 15 jaar.21 Verder blijkt ook de beïnvloedbaarheid van de jeugdige verdachte voor een rechter een valide argument te kunnen zijn om tot een schorsing te beslissen, om hiermee te voorkomen dat het verblijf in een groep – en in het bijzonder de contacten met zijn groepsgenoten – in een justitiële jeugdinrichting een negatieve invloed zal hebben op de verdere ontwikkeling van de verdachte. Dit was onder meer het geval in een zaak van een 16-jarige first offender met een licht verstandelijke beperking die werd verdacht van een gewapende overval op een cafetaria. In deze zaak adviseerde de jeugdreclassering tot schorsing, omdat een verblijf in een justitiële jeugdinrichting, gelet op de beïnvloedbaarheid van de verdachte, “funest” voor hem zou zijn. De rechter-commissaris volgde dit advies en besliste tot schorsing. Na afloop van de voorgeleiding verklaarde de rechter-commissaris, in reactie op een vraag van de onderzoeker naar de onderliggende redenen van de schorsingsbeslissing, dat hij lang had getwijfeld vanwege de ernst van het feit, maar uiteindelijk toch had besloten te schorsen, omdat de verdachte “behoorlijk beïnvloedbaar” zou zijn.22
Naast schade aan de ontwikkeling van de minderjarige als direct gevolg van het verblijf in een justitiële jeugdinrichting, kan de voorlopige hechtenis ook op andere manieren schade toebrengen aan de ontwikkeling van de minderjarige, namelijk ten gevolge van het (tijdelijk) niet kunnen voortzetten van het dagelijkse leven buiten de inrichting. Eén van de meest prominente belangen die ten grondslag kan liggen aan een beslissing van een rechter om de voorlopige hechtenis van een minderjarige te schorsen, is het belang van voortzetting van school en/of stage. Dit komt in vrijwel alle met rechters afgenomen interviews naar voren.
“Van belang is altijd dat je een jongere naar school laat gaan. Of dat nou in detentie is, via nachtdetentie, of via huisarrest of via schorsing. Het is altijd belangrijk dat de school doorgaat. Daarom zijn zaken die in april of mei spelen altijd erg lastig vind ik, want dan moet echt die school doorgaan, anders verliezen ze een jaar. En dat betekent dat ze in nog veel meer trammelant terecht komen, want dan moeten ze misschien van school af, noem maar op. En dan ligt de recidive op de loer. Dus die school is voor mij als kinderrechter altijd een uitgangspunt. Als daar een mogelijkheid toe is, zorg dat het gebeurt. Daar heeft de gezinsvoogd of de Raad [voor de Kinderbescherming] een belangrijke rol in.”23
Hierbij wordt wel door verschillende rechters opgemerkt dat het belang dat aan voorzetting van de schoolgang moet worden gehecht in de schorsingsbeslissing sterk afhankelijk is van hoe goed de minderjarige presteert op school. Zo overweegt een raadkamerrechter met betrekking tot de fictieve casus ‘Bart’ (zie bijlage 6) het volgende:
“Aan de andere kant is het natuurlijk ook weer de school die belangrijk is. Hij zit in de eindexamenklas en heeft die toetsweek. Dan is het natuurlijk wel van belang of dat überhaupt nog een haalbare kans is. Als hij al -4 staat gemiddeld, voor alles, nou ja dan kan dat wat anders zijn [respondent glimlacht, YB]. Maar als hij kans van slagen heeft, dan zou dat voor mij wel een punt zijn om mee te gaan met een schorsing.”24
Eenzelfde beeld ontstaat op basis van het observatieonderzoek. Tijdens voorgeleidingen en raadkamerzittingen werd door advocaten veelvuldig gewezen op het belang van voortzetting van de schoolgang ter onderbouwing van een schorsingsverzoek. Uit de observaties tijdens het raadkameroverleg en de informele nabesprekingen van voorgeleidingen en raadkamerzittingen met de betrokken rechter(s) volgt dat het belang van voortzetting van school en stages zeer zwaar kan meewegen in de schorsingsbeslissing, doch uitsluitend als uit de rapportages van de hulpverlenende instanties volgt dat de voorlopige hechtenis een goedlopende schoolgang zou doorkruisen. Ter illustratie: in een zaak waarin de advocaat zijn schorsingsverzoek onderbouwde met een beroep op het belang van schoolgang, maar in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming naar voren kwam dat de verdachte al geruime tijd niet of nauwelijks naar school ging, overwoog de raadkamer dat naar school gaan heel goed mogelijk is binnen de justitiële jeugdinrichting en dat de schoolgang in dit geval dus geen reden was om tot schorsing te beslissen.25 Het belang van schoolgang wordt echter prangender als de verdachte vlak voor zijn eindexamens wordt aangehouden. Dit was onder meer het geval in een zaak van een 16-jarige verdachte van een woninginbraak, waarbij de rechter-commissaris voorafgaand aan de voorgeleiding al jegens de onderzoeker kenbaar maakte dat hij er vanwege de aanstaande eindexamens “niet onderuit komt” om te schorsen, terwijl hij dat gelet op de aard van de verdenking, de antecedenten en de houding van de verdachte eigenlijk liever niet zou doen.26
Behalve het belang van voortzetting van de schoolgang, kan ook het belang van het starten of voortzetten van een behandeling of andere vormen van hulpverlening in het civielrechtelijke of vrijwillige kader, dan wel in het strafrechtelijke kader in de vorm van een aan de schorsing te verbinden voorwaarde, voor de rechter aanleiding geven om tot schorsing te beslissen. Een treffend voorbeeld was een zaak van een 15-jarige verdachte die de dag na de voorgeleiding een intake zou hebben bij een gesloten behandelcentrum jeugdzorgplus. Tijdens de voorgeleiding benadrukten de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering dat er op dat moment direct plek was voor de verdachte in het behandelcentrum, maar dat deze plek aan een ander zou worden vergeven als de verdachte in voorlopige hechtenis zou worden genomen. De rechter-commissaris gaf niettemin een bevel tot inbewaringstelling af, maar besliste wel tot schorsing met uitdrukkelijke verwijzing naar het belang dat de verdachte naar de intake kon gaan en de passende behandeling voor zijn persoonlijke problematiek zou starten. De rechter-commissaris zette dit belang kracht bij door als schorsingsvoorwaarde op te nemen dat de verdachte zich moest houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dit in zou houden plaatsing in een gesloten behandelcentrum.27
Voorts was in verschillende geobserveerde zaken sprake van een verdachte die ten tijde van het (vermeende) delict op civielrechtelijke titel verbleef in een (gesloten) jeugdhulpinstelling en daar onder behandeling stond. In een aantal van deze zaken besliste de rechter-commissaris of raadkamer tot schorsing van de voorlopige hechtenis, (mede) op basis van de overweging dat het belang van terugplaatsing van de verdachte in de jeugdhulpinstelling en voortzetting van de behandeling moest prevaleren boven de strafvorderlijke belangen.28 In meerdere zaken speelde een rol dat een plaats in een woon- of leefgroep of een behandelplek maar voor een beperkte tijd zou worden vrijgehouden, waardoor een beslissing om voorlopige hechtenis te bevelen en niet te schorsen zou impliceren dat de verdachte zijn plaats in zijn woon- of leefgroep of zijn behandelplek zou kwijtraken en weer op een wachtlijst zou komen te staan.29 Een raadkamerrechter legt tijdens een interview uit hoe zeer dit kan meewegen in de schorsingsbeslissing:
“Dat hebben we ook wel eens met dat begeleid wonen. Dat is lastig hoor. En als dat zo’n jongere is met een hele geschiedenis al… Ja, dan is het toch ongelooflijk belangrijk dat hij toch weer op die plek kan, want anders weet je zeker dat het nog eens gebeurt [dat hij recidiveert, YB]. Daar heeft niemand baat bij. En die plekken zijn zo schaars. Dus als iemand een plek heeft, ook al gaat het een keer mis, dan moet het voor mij wel drie keer misgaan en heel ernstig zijn, wil je een plek vergeven.” 30
Voorts blijkt uit de observaties dat een grote diversiteit aan andere belangen een rol kan spelen in de beslissing om de voorlopige hechtenis te schorsen, zoals het belang dat de verdachte zijn bijbaantje kan behouden31 of het belang dat de verdachte die op hoog niveau sport beoefent zijn trainingen en wedstrijden kan voortzetten.32 Dergelijke belangen worden in de motivering veelal aangeduid als ‘persoonlijke belangen’ van de verdachte die in het betreffende geval zwaarder wegen dan de ‘strafvorderlijke belangen’. Tijdens de interviews wordt echter duidelijk dat verschillende rechters van mening zijn dat dergelijke belangen uiteindelijk ook ten gunste komen van de samenleving en tegemoet komen aan de doelstellingen van het jeugdstrafrecht. Deze belangen zien immers veelal op het starten of voortzetten van activiteiten – zoals school, behandeling of sport – die worden beschouwd als ‘beschermende factoren’ in het leven van de minderjarige, waarmee het recidiverisico wordt verlaagd.
Tot slot valt op dat ook ‘strafvorderlijke belangen’ de rechter-commissaris of raadkamer kunnen aansporen om tot schorsing te beslissen. Zo kan een schorsing onder bijzondere voorwaarden in de voorfase van het strafproces van belang zijn om de zittingsrechter een goed beeld te geven van de haalbaarheid van bepaalde ambulante interventies die bij veroordeling mogelijk als straf of maatregel worden opgelegd. Dit speelde onder meer in een zaak van een 16-jarige met een behoorlijke justitiële documentatie die werd verdacht van een woninginbraak, waarin ten tijde van de raadkamerzitting het GBM-onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming reeds was afgerond. Op basis van dit onderzoek stelde de Raad dat de verdachte gebaat zou zijn bij de strakke kaders en hulpverlening in het kader van de gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM). Hoewel dit advies van de Raad primair was gericht tot de zittingsrechter die uiteindelijk zou moeten beslissen over het wel of niet opleggen van de GBM, nam de raadkamer kennis van dit advies en was dit advies zelfs doorslaggevend in de beslissing van de raadkamer om de voorlopige hechtenis te schorsen. Na afloop van de raadkamerzitting verklaarde de raadkamerrechter jegens de onderzoeker dat hij, ondanks de aanwezige contra-indicaties, tot schorsing had beslist, omdat dit de zittingsrechter in de gelegenheid zou stellen om te bekijken of een GBM zal gaan werken.33
D. Vertrouwen in schorsing
De schorsingsbeslissing van de rechter kan in veel gevallen niet los worden gezien van zijn inschatting van de kans van slagen van de schorsing. De rechter zal doorgaans alleen tot schorsing overgaan als hij vertrouwen heeft in de naleving van de algemene en bijzondere voorwaarden die aan de schorsing worden verbonden, waaronder in elk geval de voorwaarde dat de verdachte gedurende de schorsing geen (nieuwe) strafbare feiten pleegt. Het voor een beslissing tot schorsing vereiste vertrouwen in een goed verloop daarvan kwam tijdens het observatieonderzoek meermaals expliciet naar voren in de overwegingen van rechters-commissarissen en raadkamers in het kader van de schorsingsbeslissing, waarin onder meer werd gesproken in termen als: het al dan niet hebben van “vertrouwen” in de verdachte en/of de ouders;34 het al dan niet hebben van een “gerust hart” bij een schorsing;35 het al dan niet “aandurven” van een schorsing;36 en een schorsing al dan niet “verantwoord” vinden.37 Een dergelijke, op vertrouwen in een goed verloop van de schorsing gebaseerde benadering van de schorsingsbeslissing komt ook naar voren tijdens de interviews met rechters.
“Ik wil gewoon weten in hoeverre het verantwoord is om deze jongen te schorsen. En mocht ik de schorsingsvoorwaarden toch te zacht vinden en te weinig concreet om het recidivegevaar te keren, dan zal ik niet meegaan. Maar als er een voldoende plan van aanpak ligt op grond waarvan ik denk ‘het recidivegevaar kan hiermee gekeerd worden’, dan wel. (…) Dat hangt dus heel sterk af van wat de hulpverlening aandraagt en of ik dat een verantwoorde aanpak vind.”38
Zowel tijdens de interviews als uit het observatieonderzoek komt naar voren dat het vertrouwen van de rechter in een goed verloop van de schorsing in belangrijke mate wordt gevormd op basis van de informatie en adviezen van de hulpverlenende instanties (lees: de Raad voor de Kinderbescherming en/ of de jeugdreclassering).39 Dit kwam tijdens verschillende geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzittingen uitdrukkelijk naar voren in de mondelinge motivering van de schorsingsbeslissing.40 Ook wordt dit bevestigd tijdens verschillende interviews met rechters-commissarissen en raadkamerrechters.
“Voor wat betreft schorsingsverzoeken: als de Raad zegt ‘niet doen’ en de advocaat pleit er wel voor, dan moet het wel heel uitzonderlijk zijn, wil ik daarin meegaan, want daar [het advies van de Raad, YB] hecht ik zeer aan. Ik denk dat ik in 80/90% van de gevallen de Raad zal volgen als ze schorsing adviseren, maar ik wil daar nog wel eens van afwijken als ik het feit te ernstig vind bijvoorbeeld.”41
Verschillende geïnterviewde rechters waarderen uitdrukkelijk de specifieke expertise van de raadsonderzoekers en de gedragsdeskundigen van de Raad voor de Kinderbescherming. Zij nemen de adviezen van de Raad over wat de minderjarige vanuit pedagogisch oogpunt ‘nodig’ heeft om zich op een positieve manier te ontwikkelen en niet te recidiveren zeer serieus. Zo benadrukt een raadkamerrechter tijdens een interview:
“[De adviezen van de Raad.] Daar hecht ik heel veel waarde aan. Zij zijn de deskundige op dat vlak, wij niet. Ik vind dat we wel hele goede argumenten moeten hebben, willen wij zeggen van ‘we passeren dat’.”42
Tijdens de interviews wordt er door rechters wel op gewezen dat de waarde van het rapport en advies van de Raad sterk afhankelijk is van de informatiebronnen die de Raad in de relatief korte tijd heeft kunnen raadplegen. In dit verband speelt ook een rol dat de Raad geen inzage heeft in het strafdossier en daardoor voor wat betreft de informatie over het strafbare feit soms vooral afgaat op wat de minderjarige hierover zegt, hetgeen – in de woorden van een geïnterviewde raadkamerrechter – soms tot nogal “naïeve” adviezen kan leiden.
“Het hangt er ook een beetje van af wat ze allemaal hebben kunnen doen in die tijd die hen tot de beschikking stond en hoe de gesprekken zijn gelopen met het thuisfront, school en weet ik het allemaal. Dan krijg je soms heel goed onderbouwde adviezen, daar kijk ik echt wel naar hoor! (…) [Maar] soms dan vraag je je af: ‘hoe komt de Raad bij dit advies, dat geloof je toch niet?’ Die komen soms echt met zulke naïeve dingen en dan denk je ‘kijk nou eens wat er gebeurd is!’ Dan gaan ze heel erg af op wat die jongere zegt. Dat is ook weleens een nadeel.”43
In dit verband stelt een aantal geïnterviewde rechters dat de informatie en adviezen van een jeugdreclasseerder die de minderjarige reeds onder begeleiding heeft soms waardevoller zijn dan die van de Raad, omdat de jeugdreclasseerder gedurende een langere periode nauw contact heeft met de minderjarige en zijn directe omgeving.
Tegelijkertijd schuilt in dit nauwe contact tussen de jeugdreclasseerder en de minderjarige en zijn gezin volgens sommige geïnterviewde rechters ook een risico, omdat het hierdoor lastig kan zijn voor de jeugdreclasseerder om een objectief advies uit te brengen over de schorsing van de voorlopige hechtenis. Een raadkamerrechter legt tijdens een interview uit dat hij dit bij het nemen van zijn beslissing over de schorsing altijd in het achterhoofd houdt en daarom niet blind vaart op het advies van de jeugdreclassering.
“Ik ken mijn pappenheimers ook langer dan vandaag en die hulpverleners zijn soms al zo betrokken bij de minderjarige dat ze het moeilijk vinden om te zeggen van ‘nou, laat hem nog maar wat langer zitten’. Vooral de jeugdreclassering. Dus kortom: ik vaar niet helemaal op wat ze zeggen en gebruik mijn gezond verstand.”44
De door de hulpverlenende instanties inzichtelijk gemaakte informatie over de persoonlijke omstandigheden van de minderjarige – waaronder de in de raadsrapportages onderscheiden ‘beschermende factoren’ en ‘risicofactoren’ – stellen de rechter evenwel in staat om ook zelf een inschatting te maken van de kans op een goed verloop van de schorsing. Uit de observaties en interviews blijkt dat verschillende persoonlijke omstandigheden een sterke invloed kunnen hebben op deze inschatting, waaronder in elk geval de thuis-c.q. woonsituatie en de dagbesteding van de minderjarige. In een aantal geobserveerde zaken stond de problematische thuissituatie volgens de rechter in de weg aan een ‘verantwoorde’ schorsing.45 In andere zaken droeg informatie van de hulpverlenende instanties die indiceerde dat sprake was van een stabiele thuissituatie met betrokken ouders juist bij aan het vertrouwen van de rechter in een goed verloop van de schorsing.46 Ook waren er zaken waarin het vertrouwen van de rechter in de schorsing werd versterkt door het feit dat de minderjarige verdachte op civielrechtelijke titel was geplaatst in een accommodatie voor (gesloten) jeugdhulp.47 Zo motiveerde de rechter-commissaris, tijdens een voorgeleiding van een 17-jarige verdachte van een straatroof, zijn beslissing om te schorsen als volgt:
“Als je niet in de gesloten jeugdzorg had gezeten, dan was je nooit geschorst, want dit geeft mij zekerheid dat je niet vrij rond loopt. Dus je hebt geluk.”48
Verder blijkt ook de dagbesteding van de minderjarige van invloed te kunnen zijn op het vertrouwen dat de rechter heeft in een goed verloop van een schorsing. Zo kan de afwezigheid van een zinvolle dagbesteding, zoals school, stage of werk, in de weg staan aan een schorsing (“Schorsen is geen optie. Ik zie jou niet alleen maar thuis zitten.”).49 Anderzijds volgt uit verschillende zaken dat de aanwezigheid van een zinvolle dagbesteding de schorsing volgens de rechter verantwoord kan maken.50 Een treffend voorbeeld is een zaak van een 15-jarige verdachte van een overval op een cafetaria, waarin de voorlopige hechtenis tijdens de eerste raadkamerzitting niet werd geschorst, omdat de verdachte geen school of andere dagbesteding had.51 Tijdens de daarop volgende raadkamerzitting, veertien dagen later, besliste de raadkamer wel tot schorsing van de voorlopige hechtenis, omdat de vader van de verdachte in de tussentijd voor zijn zoon een voltijds baantje had geregeld ter overbrugging van de periode tot aan de start van een leertraject. De raadkamer schorste de voorlopige hechtenis onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zijn ouderlijk huis niet zou verlaten, behalve tijdens zijn werktijden.52
Dit voorbeeld illustreert dat het vertrouwen van de rechter in een goed verloop van de schorsing aanzienlijk kan worden vergroot doordat in de omgeving van de minderjarige omstandigheden worden gecreëerd waarmee bepaalde risicofactoren worden ondervangen. Hierin kunnen – zoals in bovengenoemde zaak – de ouders van de verdachte een rol spelen, maar hier ligt in de praktijk vooral een belangrijke rol voor de hulpverlenende instanties. In het volgende hoofdstuk (par. 8.5) zal worden beschreven dat in situaties waarin de voorlopige hechtenis van de jeugdige verdachte nog niet direct door de rechter-commissaris is geschorst, maar de jeugdreclasseringsbegeleiding al wel is gestart lopende de inbewaringstelling, de geïnterviewde jeugdreclasseerders het als hun taak zien om, in samenspraak met de jeugdige en ouders, een ‘schorsingsplan’ op te stellen op basis waarvan de raadkamer een schorsing mogelijk wel verantwoord acht. Een dergelijk plan van aanpak kan cruciaal zijn voor de schorsingsbeslissing van de rechter.
Tijdens een aantal geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzittingen besliste de rechter-commissaris c.q. raadkamer om de voorlopige hechtenis van de minderjarige verdachte op dat moment niet te schorsen, omdat er volgens de betreffende rechter(s) nog geen doortimmerd plan van aanpak lag. In een aantal gevallen was de rechter-commissaris of raadkamer wel van oordeel is dat het van belang was dat op korte termijn kon worden geschorst, hetgeen de rechter tot uitdrukking bracht in de vorm van een expliciete opdracht voor de hulpverlenende instanties om bij de eerstvolgende raadkamerzitting met een plan van aanpak te komen die een schorsing wel verantwoord zou maken (zie ook par. 7.4.5.1). Een dergelijke opdracht kan inhouden dat de jeugdreclassering (of een andere hulpverlenende instantie), in de periode dat de verdachte in voorlopige hechtenis verblijft, actief aan de slag zal moeten gaan om een aantal ‘basiscondities’ voor een verantwoorde schorsing te organiseren, zoals een verantwoorde verblijfplaats en een zinvolle dagbesteding. Dat de rechter zich in dergelijke gevallen, voor wat betreft de mogelijkheid om tot schorsing te beslissen, sterk afhankelijk voelt van hetgeen de hulpverlenende instanties voor de minderjarige hebben kunnen regelen, bleek in een aantal gevallen uit de frustratie van de rechter wanneer deze instanties hier – in de ogen van de rechter – niet in slaagden. Zo uitte een raadkamerrechter zich tijdens een raadkamerzitting zichtbaar geïrriteerd over de traagheid van het opstarten van het hulpverleningstraject, waarbij hij zelfs sprak van “het falen van de hulpverlening in zijn totaliteit”, omdat de 17-jarige verdachte inmiddels al twee maanden in voorlopige hechtenis verbleef in afwachting van een CIZ-indicatie voor begeleid wonen, die volgens de rechter al lang geregeld had moeten zijn door de jeugdreclassering of Raad voor de Kinderbescherming.53
Een dergelijk ‘falen van de hulpverlening’ is evenwel niet per se te wijten aan het gebrek aan inspanningen of doortastendheid van de jeugdreclassering en/of de Raad voor de Kinderbescherming. In een aantal geobserveerde zaken werd duidelijk dat praktische problemen, zoals lange wachtlijsten en strenge toelatings- c.q. intakeprocedures voor opvangplekken, behandelplekken, scholen en andere dagbestedingsactiviteiten, er in de praktijk aan in de weg kunnen staan dat de hulpverlenende instanties erin slagen om voor de eerstvolgende raadkamerzitting de omstandigheden te creëren en een plan te presenteren waardoor de raadkamer een schorsing verantwoord acht.54 Een voorbeeld is een zaak van een 17-jarige verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats, waarin de jeugdreclasseerder een intake had geregeld bij een opvang- en behandelinstelling die had plaatsgevonden op de dag voor de raadkamerzitting. De instelling weigerde echter de verdachte toe te laten, omdat de verdachte, die op dat moment in voorlopige hechtenis verbleef, niet zelf bij de intake aanwezig kon zijn. Als gevolg hiervan konden de hulpverlenende instanties tijdens de raadkamerzitting niet anders dan (wederom) adviseren om de voorlopige hechtenis niet te schorsen, omdat er nog steeds geen geschikte woon- en behandelplek beschikbaar was. De raadkamer volgde dit advies.55
In gevallen waarin de hulpverlenende instanties er wel in slagen om – in opdracht van de rechter-commissaris of een eerdere raadkamer – genoemde basiscondities voor een schorsing te arrangeren en tijdens de raadkamerzitting een onderbouwd schorsingsplan te presenteren, zal de raadkamer doorgaans beslissen tot schorsing, mits de raadkamer van oordeel dat het plan – in de woorden van een raadkamerrechter – “voldoende [is] dichtgetimmerd”.56 De insteek en dynamiek van de raadkamerzitting in dergelijke gevallen wijkt af van een ‘reguliere’ raadkamerzitting, in die zin dat vrijwel uitsluitend aandacht wordt besteed aan de vraag of het plan van aanpak de schorsing verantwoord maakt.57 Dit geldt zowel voor de inbreng van de verschillende partijen en instanties tijdens de raadkamerzitting als voor de beraadslaging in raadkamer. Deze insteek kan worden verklaard doordat de rechter-commissaris of raadkamer tijdens de voorgaande voorgeleiding of raadkamerzitting door middel van de opdracht aan de hulpverlenende instanties om een schorsingsplan te ontwikkelen in feite een signaal heeft gegeven richting alle partijen, inclusief zijn collega’s van de volgende raadkamer, dat schorsing de koers is die zou moeten worden ingezet zodra dit verantwoord is. Deze insteek leidde tijdens verschillende geobserveerde raadkamerzittingen tot de situatie dat alle aanwezige partijen en instanties, inclusief de officier van justitie, hun vertrouwen uitspraken in het schorsingsplan van de hulpverlening, waardoor de beslissing van de raadkamer om te schorsen op een breed draagvlak kon rekenen.58
Toch hangt het vertrouwen van de rechter in een goed verloop van de schorsing van meer factoren af dan enkel de door de hulpverlenende instanties in kaart gebrachte persoonlijke omstandigheden van de minderjarige en hun plan van aanpak voor de schorsing. Zo blijkt uit de observaties dat ook de indruk die rechters hebben van de bij de voorgeleiding of raadkamerzitting aanwezige ouders hierop van invloed kan zijn. Als de rechter-commissaris of raadkamer de indruk heeft dat ouders “betrokken” zijn en “capabel” zijn om de schorsingsvoorwaarden te handhaven, kan dit voor de rechter meewegen ten faveure van de schorsing.59 Zo ook in een zaak waarin de moeder van een minderjarige verdachte, die in voorlopige hechtenis verbleef op verdenking van een zedendelict, tijdens de raadkamerzitting geëmotioneerd aangaf dat dergelijk gedrag niet wordt getolereerd binnen haar gezin, dat zij er alles aan zou doen om haar zoon te helpen en te controleren, dat dit absoluut niet meer mag gebeuren, maar dat zij wel hoopte dat haar zoon een kans zou krijgen door middel van een schorsing. De raadkamer gaf de verdachte die kans.60 Na afloop van de zitting gaf één van de rechters, in reactie op een vraag van de onderzoeker, aan dat hij aanvankelijk, op basis van het dossier, van oordeel was dat niet zou moeten worden geschorst, maar dat hij, nu hij de verdachte en zijn moeder had gezien, wel met een schorsing kon leven.61 De invloed van de (positieve) indruk die de rechter heeft van de ouders van de verdachte op de schorsingsbeslissing komt ook naar voren tijdens een interview met een raadkamerrechter.
“Nou, als er een schorsingsplan ligt en dat houdt in dat het kind teruggaat naar vader of moeder of allebei en de ouders zeggen heel luid en duidelijk ‘we gaan meewerken met de jeugdreclassering, we snappen het, we binden hem [bij wijze van spreken, YB] aan de tafelpoot vast, de avondklok die staat en we gaan het ook controleren, het is afgelopen met over straat zwabberen of uren op internet of wat dan ook, want we snappen heel goed de ernst van het feit en we snappen ook dat het niet iets is waar hij recht op heeft, maar dat hij een káns krijgt en wij gaan alle zeilen bijzetten om hem in het gareel te krijgen’. Dat helpt wel.”62
Hier staat tegenover dat als de rechter weinig vertrouwen heeft in de bereidheid en/of het vermogen van de ouders om mee te werken met de hulpverlenende instanties en toezicht uit te oefenen op de minderjarige verdachte, dit een contra-indicatie kan zijn voor een schorsing. Dit kwam onder meer naar voren in een zaak met twee minderjarige medeverdachten van een straatroof, waarbij de voorlopige hechtenis bij de ene verdachte wel werd geschorst en bij de andere verdachte niet werd geschorst door de rechter-commissaris. Na afloop van de voorgeleidingen vroeg de onderzoeker aan de rechter-commissaris wat de onderliggende redenen waren waarom hij ten aanzien van de twee medeverdachten in dezelfde zaak verschillend had beslist over de schorsing. In reactie stelde de rechter-commissaris dat meespeelde dat de verdachte waarvan de voorlopige hechtenis niet werd geschorst een omvangrijkere justitiële documentatie had en een andere rol had in het delict, maar ook uitdrukkelijk dat de rechter-commissaris “minder vertrouwen” had in zijn ouders.63
Voorts merkt een raadkamerrechter tijdens een interview op dat ook het gebrek aan probleembesef bij ouders niet ten goede komt aan het vertrouwen van de rechter in een goed verloop van de schorsing. Hierbij werpt deze rechter wel de vraag op of het gerechtvaardigd is dat de minderjarige verdachte de dupe wordt van de houding en/of (beperkte) vermogens van zijn ouders.
“De rol van de ouders is zeker in raadkamer heel belangrijk. Als je ouders hebt die zeggen van ‘jeetje, wat er nou gebeurd is, we zijn er van geschrokken, we gaan er met hem over praten, we staan open voor alle hulpverlening, we gaan hem enorm in de gaten houden’ of dat je ouders hebt die zeggen ‘nee, dat heeft mijn zoon niet gedaan hoor, het is altijd zo’n lieve jongen’. Dan [als het laatstgenoemde ouder betreft, YB] heb je er toch minder fiducie in dat dat in de thuissituatie goed zal komen en dat de jeugdreclasseerders daar voet aan de grond zullen krijgen. Toch speelt ook hier weer de vraag: is dit terecht? Want de ene ouder is natuurlijk veel beter in staat om die ouderrol op zich te nemen en er op die manier over te reflecteren, te denken en te praten dan de andere ouder. En moet het kind daarvan de dupe zijn?... Maar ja, zo werkt het toch wel.”64
Verder speelt ook de indruk die de rechter heeft van de minderjarige verdachte een rol bij het vertrouwen van de rechter in een goed verloop van de schorsing. Zo kan een gemotiveerde en proactieve houding van de verdachte jegens de hulpverlenende instanties het vertrouwen van de rechter vergroten. Dit was bijvoorbeeld het geval in een zaak van een 17-jarige verdachte die tijdens de voorlopige hechtenis wekelijks zijn jeugdreclasseerder opbelde om zijn vorderingen op school door te geven en op eigen initiatief – telefonisch, vanuit de justitiële jeugdinrichting – een bijbaantje had geregeld, waar hij aan de slag kon gaan zodra de voorlopige hechtenis zou worden geschorst.65 Anderzijds besliste de rechter-commissaris of raadkamer in verschillende geobserveerde zaken om de voorlopige hechtenis niet te schorsen, omdat de verdachte niet open stond voor hulpverlening of zich niet bereid verklaarde om zich aan de schorsingsvoorwaarden te houden.66 Dit komt ook naar voren tijdens een interview met een rechter-commissaris:
“Ik vind vooral bij dingen als een avondklok of alvast een leerstraf [als schorsingsvoorwaarden, YB]. Als ze [de verdachte, YB] van tevoren zeggen: ‘dat wil ik niet, daar ga ik mij toch niet aan houden’, dan gaan ze het niet doen. Dan kan je net zo goed voorlopige hechtenis doen. Ze moeten wel een bepaalde bereidwilligheid hebben, omdat je ze ook de kans wil geven. En als van tevoren duidelijk is: dit gaat niks worden, als je inschat bij ouders van ‘die gaan die jongen nooit binnen houden’ en hij gaat dat zelf ook niet doen, leg het dan maar niet op. Dan moet je wat anders bedenken. Het moet wel haalbaar zijn, reëel zijn.”67
Uit de observaties en interviews volgt voorts dat ook de proceshouding van de verdachte van invloed kan zijn op de schorsingsbeslissing. Een raadkamerrechter zet tijdens een interview de complexe samenhang uiteen tussen het beroep op het zwijgrecht door de verdachte en het vertrouwen van de rechter in een goed verloop van de schorsing:
“Ik vind zelf van belang: is iemand [de jeugdige verdachte, YB] open en eerlijk? Dat is een ingewikkelde, want iemand heeft natuurlijk een zwijgrecht, maar tegelijkertijd denk ik: als iemand mij duidelijk maakt dat hij verantwoordelijkheid neemt, maar ook snapt dat hij helemaal fout bezig is, dan geeft dat voor mij ook weer aanknopingspunten om wat meer vertrouwen te hebben in begeleiding en hulpverlening. Want alleen dan kan je aan de slag met de vraag ‘hoe komt het nou dat ik dat doe?’ en dus ook in de schorsing vertrouwen hebben.”68
Hierbij is tot slot relevant om op te merken dat één van de geïnterviewde raadkamerrechters erop wijst dat het van groot belang is dat rechters zorgvuldig en voorzichtig omgaan met het in de schorsingsbeslissing meenemen van indrukken die zij hebben van de ouders en de minderjarige, omdat hierin een gevaar besloten ligt dat mogelijk – onbewust – bepaalde vooronderstellingen en culturele aspecten een rol gaan spelen in de schorsingsbeslissing.
“Helaas komen we natuurlijk best vaak jongeren tegen die helemaal geen positief thuisfront hebben. Dat vind ik lastig. (…) Dan heb je ook minder vertrouwen in het pakket aan maatregelen [schorsingsvoorwaarden, YB]. Daar valt of staat het voor mij bij: is het pakket voldoende? En dat kan uit allerlei ingrediënten bestaan, waaronder de ouders. En het is inderdaad waar dat iemand met een ogenschijnlijk goed thuisfront sneller geschorst is, denk ik, in de regel, dan iemand met een slecht thuisfront of waarvan wij denken dat het geen goed thuisfront is. En daar zullen denk ik ook wel aspecten van cultuur een rol gaan spelen. Jij zult wel weten dat mensen met niet volstrekt autochtone achtergrond relatief vaker in voorlopige hechtenis zitten voor soortgelijke feiten dan onze blanke medemens [respondent refereert aan een uitkomst van een onderzoek, YB]. Het kan mij voorstellen dat dat soort factoren dan een rol spelen. Ouders die toch moeilijk uit hun woorden kunnen komen, die hulpverlening niet echt snappen en die op een gegeven moment denken van ‘ho, wat gebeurt hier allemaal?’… Ouders die op een goede manier uit hun woorden komen, die precies weten van ‘dit en dit moet ik even zeggen’, het vertrouwen wekken… Het kan mij voorstellen dat dat een rol speelt bij de vraag: is het wel verantwoord om te schorsen of niet? Want op z’n zachtst gezegd is het natuurlijk ontzettend verkeerd zo’n uitkomst van zo’n onderzoek. Het hoeft geen discriminatie te zijn, zeker niet, maar dit soort factoren spelen denk ik een rol. (…) Ik denk niet dat de individuele beslissing door de individuele rechter op dat moment discriminatoir is ingegeven. (…) Absoluut niet! Maar ook bij rechters spelen allerlei predisposities van ‘ik zie ze toch vaker in de criminaliteitsstatistieken voorkomen, je woont in een buurt die niet helemaal oké is, dus dan moet er wel een heel stevig plan zijn voordat ik jou ga schorsen’. En bij onze Frederik-Jan, ontspoord maar zit nog steeds op het VWO en komt uit [een goede buurt], die misschien nog erger en enger is dan zijn Marokkaanse of Antilliaanse medemens, die wordt geschorst, omdat hij zo’n mooi voorkomen heeft. Dat speelt wel mee. En nogmaals, dat is geen discriminatie, maar dat zijn wel fenomenen waarvan ik denk: daar moeten we heel erg alert op zijn. En dat moet gewoon steeds maar weer onderwerp van discussie zijn om te weten waar je mee bezig bent.”69
Hiermee snijdt deze raadkamerrechter een gevoelig, maar belangwekkend thema aan dat een reëel risico blootlegt van de enorme discretionaire ruimte die rechters hebben bij de schorsingsbeslissing, te meer als aan die ruimte invulling wordt gegeven aan de hand van uiterst subjectieve criteria, zoals het hebben van “vertrouwen” in de schorsing en – zoals in de volgende paragraaf (E) duidelijk wordt – het “gunnen” van een schorsing.
E. Schorsing als ‘kans’
Uit het observatieonderzoek en de interviews volgt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis door sommige rechters ook wel wordt opgevat als het geven van een ‘kans’ aan de verdachte.70 In deze benadering wordt het voorarrest (lees: aanhouding, inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis) door de rechter beschouwd als een ‘pedagogisch signaal’ naar de verdachte dat zijn betrokkenheid bij het strafbare feit onacceptabel is (“Ze moeten gaan inzien dat het erg is.”71; “We moeten duidelijk maken dat hij hier niet mee wegkomt.”72). Dit signaal zal – op een door de rechter-commissaris of raadkamer te bepalen moment – worden gevolgd door het geven van een kans in de vorm van een schorsing onder voorwaarden. Zo werd tijdens bijgewoonde raadkamerzittingen onder meer overwogen dat de in voorlopige hechtenis verblijvende verdachte inmiddels “zijn lesje heeft geleerd”,73 “de consequenties heeft gevoeld”,74 “lang genoeg vast heeft gezeten”,75 “voldoende is geschrokken”76 en (dus) “een kans moet krijgen om zichzelf te bewijzen”.77
Deze ‘kans’ betekent dat de verdachte kan laten zien dat hij zich kan houden aan bijzondere voorwaarden en jeugdreclasseringsbegeleiding en dat hij geen (nieuwe) strafbare feiten pleegt, hetgeen de zittingsrechter op de eindzitting van de strafzaak in zijn beoordeling van de strafmaat kan betrekken.78 Tijdens een aantal bijgewoonde raadkamerzittingen overwoog de raadkamer daarentegen uitdrukkelijk dat de verdachte deze kans niet moest krijgen. Hierbij betroffen de verdachten telkens recidivisten, waarvan de voorlopige hechtenis al eerder was geschorst, waardoor een nieuwe kans – volgens betreffende rechter-commissaris of raadkamer – “niet geloofwaardig” 79zou zijn, dan wel een “verkeerd signaal” zou afgeven richting de verdachte.80 In andere gevallen besloot de rechter-commissaris of raadkamer de verdachte echter toch nog “een laatste kans” te geven.81
De bereidheid van de rechter om de verdachte door middel van een schorsing een kans te geven, zal sterk afhangen van de persoon van de rechter en de specifieke omstandigheden van het geval. Hierbij zal in elk geval de factor ‘vertrouwen’ een rol spelen: rechters zullen doorgaans uitsluitend bereid zijn om de verdachte een kans te geven als zij – op zijn minst enigszins – vertrouwen hebben in een goed verloop van de schorsing (zie bovenstaande subparagraaf D). Voorts lijkt ook de ‘gunfactor ’ een rol te kunnen spelen. In een tweetal bijgewoonde zaken spraken de raadkamerrechters tijdens het ‘raadkameren’ over de schorsingsbeslissing zelfs expliciet over “gunnen” en “sympathie hebben”.
Uit het observatieonderzoek volgt dat de factoren ‘vertrouwen’ en ‘gunnen’ – als ingrediënten van de bereidheid van de rechter om de verdachte een kans te geven – in belangrijke mate worden gevormd op basis van de antecedenten en de houding van de verdachte. Voor wat betreft de invloed van de criminele antecedenten van een verdachte geldt dat de rechter doorgaans eerder bereid zal zijn om een first offender een kans te geven dan een recidivist die al meerdere kansen heeft gehad. Dit laatste geldt temeer als de verdachte wordt voorgeleid op verdenking van een nieuw strafbaar feit terwijl hij in een proeftijd of schorsing loopt. Een treffend voorbeeld is een zaak van een 15-jarige jongen die werd voorgeleid aan de rechter-commissaris op verdenking van een inbraak in een eetcafé. Deze inbraak zou zijn gepleegd één dag nadat deze verdachte in een andere zaak door een meervoudige kamer van de rechtbank was veroordeeld voor een soortgelijk feit.82 Een ander voorbeeld is een zaak van een 17-jarige verdachte die werd voorgeleid vanwege de diefstal van een portemonnee tijdens het uitvoeren van een werkstraf die was opgelegd in een andere zaak.83 Duidelijk was dat deze omstandigheden een zeer negatieve invloed hadden op het vertrouwen van de rechter in het goed verloop van een schorsing, alsook op de bereidheid van de rechter om de verdachte door middel van de schorsing ‘een gunst’ te verlenen. In beide zaken besloot de rechter-commissaris de inbewaringstelling dan ook niet te schorsen. Hier staat tegenover dat rechters in verschillende geobserveerde zaken uitdrukkelijk benoemden dat het feit dat de verdachte als first offender moest worden aangemerkt een belangrijke reden was om de verdachte een kans te geven.84
Voorts kan ook de houding van de verdachte van invloed zijn op de bereidheid van de rechter om de verdachte middels een schorsing een kans te geven. Zo kan een proactieve en gemotiveerde houding van de verdachte om samen met de jeugdreclassering een schorsingsplan op te stellen en een zinvolle dagbesteding te organiseren bijdragen aan de bereidheid om de verdachte door middel van een schorsing een kans te geven.85 Anderzijds kan een “brutale” en “ongeïnteresseerde” houding van de verdachte ten opzichte van de hulpverlenende instanties en de rechtbank juist afbreuk doen aan deze bereidheid.86 Verder kan ook de proceshouding een rol spelen. Zo geeft een aantal geïnterviewde rechters aan dat zij er moeite mee hebben om een minderjarige verdachte die weigert openheid van zaken te geven door zich consequent op zijn zwijgrecht te beroepen te schorsen.
“Mijn eerste gedachte is bij dit soort jongens: ik houd het heel kort, ik houd voor dat er verklaringen zijn van andere jongens dat hij er wel bij betrokken is en die houding [zwijgen, YB] mag hij aannemen, zeg ik dan, (…), maar dan gaat hij meestal wel in bewaring. En dan maak ik er ook geen lang verhaal van. Dan ga ik ook niet mogelijkheden onderzoeken van schorsing. Als ik toch al weet dat het niet gaat gebeuren. Want dat vind ik voor mijzelf ook ongeloofwaardig. Dat is een beloning voor deze houding en ja, dat doe ik niet. Dat is misschien toch een beetje mijn calvinistische inborst. Kijk, als je wat fout hebt gedaan, dat kan. En als jij dan ook zegt dat het fout is geweest en dat je spijt hebt en dat je het goed wilt maken, dan kan er bij mij heel veel, ook al is er behoorlijk ernstig letsel. Maar als iemand zijn verantwoordelijkheid niet neemt en zegt van ‘maak het maar hard’, dan denk ik van ‘ja, dan hebben we hier een jongen, daar moeten we eens even doorheen breken’. Dan voel ik mij er niet prettig bij als ik hem dan toch met schorsing naar huis laat gaan. Dan ben ik bij de neus genomen. En die jongen heeft een verhaal naar zijn vrienden toe, zo van ‘als je maar zwijgt, dan kom je wel weer op vrije voeten’. Nou dat gaat dan niet gebeuren. Ik weet niet of mijn collega’s bij de andere rechtbanken waar je [onderzoeker, YB] op bezoek bent geweest er net zo over denken of dat die er wat zakelijker tegenaan kijken… Maar kijk, als ik van mijzelf weet hoe ver ik wil gaan met schorsen… Ik wil heel ver gaan in de hoop dat het daarna allemaal beter wordt, misschien ook een beetje naïef, maar ik hoor wel terug dat het in de meeste gevallen ook beter gaat… Dan denk ik van ‘ja, dat zou ik deze jongen ook gunnen’, maar als hij er zelf op deze manier nog geen gebruik van wil maken, dan maar even niet. Dan moet hij het misschien maar bij de raadkamer doen. En als hij dan een ander verhaal of een andere houding heeft, dan moet het dan maar gebeuren. Maar dan gaat hij eerst even kennis maken in het jeugdhuis van bewaring.”87
Ook tijdens het observatieonderzoek kwam herhaaldelijk naar voren dat een zwijgende proceshouding van de verdachte afbreuk kan doen aan de bereidheid van de rechter-commissaris of raadkamer om de voorlopige hechtenis te schorsen. Zo werd in een aantal afwijzende schorsingsbeslissingen door de raadkamer uitdrukkelijk meegewogen dat de zwijgende verdachte een “berekenende en manipulatieve houding” aannam of “geen verantwoordelijkheid” nam of dat de verdachte, gelet op zijn houding, behoefte zou hebben aan “twee weken bezinningstijd” (in de justitiële jeugdinrichting). Omgekeerd werd bij een toewijzende schorsingsbeslissing van een rechter-commissaris expliciet meegewogen dat de bekennende verdachte “eerlijk” was geweest.88 Ook na afloop van een voorgeleiding maakte een rechter-commissaris jegens de onderzoeker expliciet duidelijk: “ik houd er niet van om jongens te schorsen die geen verantwoordelijkheid nemen”.89 Tijdens een aantal voorgeleidingen en raadkamerzittingen werd dit standpunt ook uitdrukkelijk kenbaar gemaakt aan de zwijgende verdachte: “Jouw proceshouding maakt het [een schorsing, YB] niet makkelijker, maar dat is aan jou”.90
Tijdens een (andere) raadkamerzitting ging een raadkamerrechter nog een stapje verder door tijdens een raadkamerzitting een zwijgende verdachte voor te houden: “Jij wilt wat van ons [een schorsing van de voorlopige hechtenis, YB], maar jij wilt ons niets geven [geen verklaring, YB]?” Hierop onderbrak de raadsman van de verdachte de rechter en merkte zichtbaar geïrriteerd op dat “het hier geen koehandel [is]” en dat zijn client niet zo onder druk mocht worden gezet. De raadkamerrechter richtte zich vervolgens weer tot de verdachte: “De combinatie zwijgen en schorsen is een moeilijke. Verbetering van jouw leven begint met het nemen van verantwoordelijkheid.”91 Na afloop van de raadkamerzitting legde deze raadkamerrechter aan de onderzoeker uit dat schorsen in gevallen waarin een minderjarige verdachte weigert verantwoordelijkheid te nemen voor zijn fouten “pedagogisch gezien” een verkeerd signaal afgeeft richting de verdachte.92
Verschillende geïnterviewde rechters wijzen in dit verband ook op de – in hun ogen – niet altijd even positieve rol van de advocaat van de minderjarige. Zo stelt een raadkamerrechter tijdens een interview dat hij het bijzonder kwalijk vindt dat sommige advocaten de meest ernstige strafbare feiten gaan bagatelliseren, hetgeen volgens hem een volstrekt verkeerd signaal afgeeft richting de minderjarige. Deze raadkamerrechter stelt voorop dat de raadkamer dit niet te veel mag laten meewegen in de schorsingsbeslissing, maar benadrukt wel dat deze verdedigingsstrategie wat hem betreft volstrekt averechts werkt.
“Ze zitten daar niet voor zweetvoeten vast en je wilt dus een advocaat die én zijn cliënt serieus neemt, maar ook serieus neemt wat er verder allemaal ligt.”93
Een andere raadkamerrechter merkt tijdens een interview op dat hij zich ontzettend stoort aan advocaten die hun minderjarige cliënt ertoe aanzetten om zich op het zwijgrecht te beroepen en actief ingrijpen als de minderjarige toch een verklaring wil afleggen tijdens de raadkamerzitting.
“Waar ik moeite mee heb is als dat kind wil verklaren en die advocaat zit hem de mond te snoeren. Dan denk ik: bewijs je hem daar nu een dienst mee?”94
Uit de interviews en observaties volgt evenwel dat de opvattingen van rechters over de invloed die de proceshouding van een verdachte mag hebben op de schorsingsbeslissing nogal uiteenlopen. Tijdens één van de bijgewoonde raadkamerzittingen in een zaak met een zwijgende verdachte leidde de uiteenlopende opvattingen over deze kwestie er zelfs toe dat de drie raadkamerrechters het niet direct eens konden worden over de schorsingsbeslissing, waardoor deze beslissing werd aangehouden tot het einde van de dag. Tegenover de reeds aangehaalde rechters die – vanuit pedagogisch oogpunt – een beroep op het zwijgrecht zeer moeizaam verenigbaar vinden met een schorsing, staan de rechters de zich principieel op het standpunt stellen dat de proceshouding van de verdachte niet van invloed mag zijn op de schorsingsbeslissing. Voorts is er een tussencategorie van rechters die een beroep op het zwijgrecht niet per definitie als een belemmering ziet voor een schorsing, maar wel onderkent dat dit – bewust of onbewust – van invloed kan zijn op de bereidheid om te schorsen.
“Als iemand zich echt hard opstelt, dat mag en dat zijn wij ook gewend om daar doorheen te kijken. Als je nou enerzijds alles ontkent en niks wil, maar aan de andere kant wel vraagt om schorsing onder voorwaarden. Nou ik weet niet of het er dan geloofwaardiger op wordt. Dat zijn allemaal factoren die meespelen. Maar een ontkenning is niet per se een belemmering om te schorsen. Het mag, je hoeft niet mee te werken aan jouw eigen veroordeling. Maar of het de bereidheid om te schorsen onder voorwaarden vergroot bij de rechters dat kun je je natuurlijk afvragen…”95
Aldus kan worden gesteld dat de rechterlijke perceptie van de schorsing als ‘het geven van een kans’ de rechter veel ruimte geeft om te bepalen wanneer de minderjarige verdachte deze kans ‘verdient’. Sommige rechters lijken voor deze ‘gunst’ zelfs een tegenprestatie van de verdachte te verwachten, zoals een proactieve en gemotiveerde houding of het ‘nemen van verantwoordelijkheid’. Voorts brengen de sterk subjectieve ingrediënten ‘vertrouwen’ en ‘gunnen’ met zich dat de schorsingsbeslissing in zekere mate tot een gevoelsbeslissing van de rechter kan verworden.
F. “Totaalplaatje”
In het voorgaande is een veelheid aan factoren aan de orde gekomen die van invloed kunnen zijn op de schorsingsbeslissing. Hierbij moet voor ogen worden gehouden dat deze factoren nooit op zichzelf staan en pas betekenis krijgen in de specifieke context van het individuele geval. Bij de schorsingsbeslissing gaat het dan ook altijd om – zoals een geïnterviewde raadkamerrechter het verwoordt – het “totaalplaatje”.96