Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/1231
Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen invoer van cocaïne en uit soortgelijke feiten. Methode van eenvoudige kasopstelling, art. 36e lid 2 Sr. Kon hof oordelen dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan dat betrokkene voorafgaand aan bewezenverklaarde perioden strafbare feiten heeft begaan waaruit hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen? Voor beantwoording van vraag of art. 36e lid 1 en 36e lid 2 Sr van toepassing zijn zoals deze luiden sinds 1 juli 2011, is beslissend of bewezenverklaard feit is begaan op of na 1 juli 2011 (vgl. HR 12 oktober 2021, RvdW 2021/1035). Datzelfde geldt voor beantwoording van vraag of art. 36e lid 3 Sr zoals dat luidt sinds 1 juli 2011, van toepassing is (vgl. HR 29 november 2016, NJ 2017/105, m.nt. H.D. Wolswijk). Voor beoordeling van middel is het niet van belang of men uitgaat van tekst van art. 36e lid 2 Sr zoals deze luidde tot 1 juli 2011 dan wel van tekst zoals deze luidt sinds 1 juli 2011. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 12 oktober 2021, RvdW 2021/1029, m.b.t. eisen aan vaststelling dat voldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door betrokkene zijn begaan a.b.i. art. 36e lid 2 Sr, en uit HR 14 maart 2017, NJ 2017/121, m.b.t. berekeningswijze van eenvoudige kasopstelling. Hof heeft geoordeeld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene soortgelijke feiten heeft begaan, die (tezamen met bewezenverklaarde feiten) tot het door hof geschatte w.v.v. hebben geleid. Hof heeft daaraan o.m. ten grondslag gelegd dat betrokkene ook vóór begin van bewezenverklaarde perioden transport van verdovende middelen vanuit Rotterdamse haven naar adressen in Nederland mogelijk kon maken. Hof heeft in dit verband echter, onder verwijzingen naar bewijsmiddelen in strafzaak, uitsluitend vastgesteld dat betrokkene (ook) in bewezenverklaarde periode werkzaamheden bij bedrijf in Rotterdamse haven verrichtte, dat betrokkene voor het uithalen in december 2011 betaald zou hebben gekregen en dat betrokkene op 21 december 2011 in avonddienst werkte. Daaruit kan niet z.m. worden afgeleid dat voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene vóór begin van bewezenverklaarde perioden soortgelijke feiten heeft begaan. Ook vaststelling dat betrokkene in 2010 opeens contante uitgaven heeft gedaan waarvoor betrokkene een legale herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, kan dat oordeel niet dragen, nu uitsluitend aan het doen van die uitgaven niet voldoende aanwijzingen kunnen worden ontleend dat betrokkene soortgelijke feiten heeft begaan, waaraan geschat bedrag van w.v.v. kan worden gerelateerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met RvdW 2025/1230.
HR 11-11-2025, ECLI:NL:HR:2025:1680
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11 november 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, C. Caminada, R. Kuiper
- Zaaknummer
23/04125 P
- Conclusie
A-G mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Sancties
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1680, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑11‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:863, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
Essentie
Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen invoer van cocaïne en uit soortgelijke feiten. Methode van eenvoudige kasopstelling, art. 36e lid 2 Sr. Kon hof oordelen dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan dat betrokkene voorafgaand aan bewezenverklaarde perioden strafbare feiten heeft begaan waaruit hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen? Voor beantwoording van vraag of art. 36e lid 1 en 36e lid 2 Sr van toepassing zijn zoals deze luiden sinds 1 juli 2011, is beslissend of bewezenverklaard feit is begaan op of na 1 juli 2011 (vgl. HR 12 oktober 2021, RvdW 2021/1035). Datzelfde geldt voor ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.