RvdW 2025/1240:Jeugdzaak. Medeplichtigheid aan witwassen van geldbedragen door zijn telefoon ter beschikking te stellen aan een ander, die vervolgens WhatsApp/vriend-in-noodfraude pleegt met die telefoon, waarbij aangeefster € 1.998,84 stort op bankrekening waaraan telefoon van verdachte is gekoppeld, welk bedrag vervolgens door een derde wordt opgenomen in casino, art. 420bis lid 1 onder a Sr en 420bis lid 1 onder b Sr. Veroordeling in eerste aanleg t.z.v. (primair tlgd.) medeplegen schuldwitwassen. Vordering benadeelde partij, art. 361 lid 4 Sv. Heeft hof de toewijzing van vordering b.p. toereikend gemotiveerd gelet op verweer van raadsman? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 28 mei 2019, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga m.b.t. motiveringsvoorschrift van art. 361 lid 4 Sv. V.zv. middel een beroep doet op motiveringsvoorschrift van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv, miskent het dat die bepaling niet het oog heeft op een over vordering b.p. ingenomen standpunt (vgl. HR 17 februari 2019, NJ 2009/122). Hof heeft vastgesteld dat b.p. € 1.998,84 heeft overgemaakt naar rekeningnummer, dat kort daarna telefoon van verdachte (die hij aan mededader had gegeven) aan diezelfde rekening is gekoppeld en dat die mededader van deze rekening nagenoeg hetzelfde bedrag heeft gepind. Mede op grond hiervan heeft hof geoordeeld dat b.p. € 1.998,84 aan materiële schade heeft geleden en dat vordering b.p. op verdachte voor datzelfde bedrag hoofdelijk wordt toegewezen. Deze beslissing is toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af enkele namens verdachte aangevoerde stelling dat uiteindelijk benadelingsbedrag veel lager zou moeten zijn omdat door andere mededader een deel van gepind geld verloren werd en dat geld door politie in beslag is genomen, nu niet nader is onderbouwd dat dit inbeslaggenomen geld al ten goede van b.p. is gekomen. Volgt verwerping. CAG: anders.