Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/1221
Verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid van meerdere patiënten door huisarts. De omstandigheid dat de maximale wettelijke duur van de bijkomende straf van ontzetting van het recht om een beroep uit te oefenen is overschreden, vormt geen grond voor ambtshalve cassatie.
HR 11-11-2025, ECLI:NL:HR:2025:1650
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11 november 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, T.B. Trotman
- Zaaknummer
24/01114
- Conclusie
A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Materieel strafrecht / Sancties
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1650, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑11‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:896, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑08‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑10‑2024
- Wetingang
Essentie
De verdachte, een huisarts, is veroordeeld voor verkrachting en aanranding van meerdere patiënten. Aan hem is een beroepsverbod opgelegd voor de duur van veertien jaar, terwijl op grond van artikel 60 Sr dit beroepsverbod maximaal twaalf jaar had mogen beslaan. In cassatie wordt hierover echter niet geklaagd. De Hoge Raad zet uiteen waarom de overschrijding van de maximale wettelijke duur van deze bijkomende straf geen reden vormt voor ambtshalve cassatie.
Samenvatting
In recente rechtspraak heeft de Hoge Raad overwogen dat hij zijn bevoegdheid tot ambtshalve cassatie op grond van artikel 440 lid 1 van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.