Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.2.5
7.2.5 Motivering van voorlopige hechtenisbeslissingen
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 78, tweede lid Sv. Zie ook: artikel 24, eerste lid Sv.
Zie hierover: College voor de Rechten van de Mens 2017.
Dit betroffen (eerdere) beschikkingen die in de dossiers van de geobserveerde zaken waren opgenomen.
Dit lijkt de ene rechter overigens ogenschijnlijk beter af te gaan dan de andere rechter. Zie hierover ook: Rap 2013.
Interview raadkamerrechter C
Zie hierover ook: Teeuwen 2012.
Interview rechter-commissaris E
Interview rechter-commissaris K
Interview raadkamerrechter O
Interview raadkamerrechter B
Interview raadkamerrechter Q
Interview raadkamerrechter G
Interview raadkamerrechter D
Interview raadkamerrechter A
Interview raadkamerrechter P.
Interview raadkamerrechter I.
Interview rechter-commissaris H.
Interview raadkamerrechter A ; Interview raadkamerrechter I; Interview raadkamerrechter Q.
Zo bestempelen geïnterviewde advocaten de motivering door de raadkamer onder meer als “droevig”, “dramatisch”, “frustrerend”, “schandalig”, “slecht”, “belabberd”, “nietszeggend”, “een doorn in het oog” en “onfatsoenlijk”. Over de motivering van de voorlopige hechtenisbeslissingen door de rechter-commissaris zijn de meeste geïnterviewde advocaten (gematigd) positiever, (mede) omdat de rechter-commissaris zijn beslissing in elk geval mondeling toelicht. Voorts valt op dat twee advocaten die werkzaam zijn in hetzelfde arrondissement zelfs zeer te spreken zijn over de wijze waarop de (vaste) kinderrechter-commissaris zijn beslissingen mondeling en schriftelijk motiveert.
Ook sommige geïnterviewde officieren van justitie uiten frustraties over de motivering van voorlopige hechtenisbeslissingen (“enorm frustrerend”; “een doorn in het oog”). O.a. Interview officier van justitie D; Interview officier van justitie F; Interview officier van justitie G.
Volgens de wet zijn de rechter-commissaris en de raadkamer verplicht om hun beslissingen over de voorlopige hechtenis te motiveren.1 In de afgelopen jaren is echter veelvuldig en vanuit verschillende hoeken kritiek geuit op de wijze waarop de rechters – in elk geval in strafzaken van volwassenen – omgaan met de motivering van voorlopige hechtenisbeslissingen.2 Deze kritiek komt er in de kern op neer dat deze beslissingen veelal gestandaardiseerd, minimaal of soms zelfs in het geheel niet worden gemotiveerd. Dit roept de vraag op hoe rechters in jeugdzaken omgaan met de motivering van voorlopige hechtenisbeslissingen. Op basis van observaties van voorgeleidingen en raadkamerzittingen, inzage in beschikkingen tot inbewaringstelling en gevangenhouding3 en interviews met rechters komt in het onderhavige onderzoek een beeld naar voren van een praktijk waarin grote verschillen bestaan tussen rechtbanken – en rechters onderling – in de wijze waarop voorlopige hechtenisbeslissingen ten aanzien van minderjarige verdachten worden gemotiveerd. Hierbij is in elk geval een onderscheid tussen de mondelinge en de schriftelijke motivering op zijn plaats.
Uit de observaties volgt dat de rechter-commissaris aan het einde van de voorgeleiding zijn beslissing mededeelt en deze beslissing – afhankelijk van de betreffende rechter-commissaris – kort of uitgebreider mondeling toelicht. Dit geldt ook voor de raadkamers in de rechtbanken waar het de vaste praktijk is dat aan het einde van iedere raadkamerzitting, nadat alle aanwezigen de zaal (tijdelijk) hebben verlaten, door de rechters wordt ‘geraadkamerd’ over de beslissing, waarna de aanwezigen – waaronder de minderjarige verdachte – de zaal weer binnenkomen en de voorzitter van de raadkamer de beslissing mondeling mededeelt en motiveert. Bij sommige rechtbanken is het de praktijk dat het ‘raadkameren’ niet aan het einde van iedere raadkamerzitting plaatsvindt, maar pas na de behandeling van alle ingeroosterde raadkamerzittingen geschiedt. In deze praktijk wordt de beslissing van de raadkamer dus pas op een later moment op de dag genomen. Dit impliceert dat deze beslissing niet mondeling, in het bijzijn van de minderjarige wordt uitgesproken en dus ook niet mondeling wordt gemotiveerd. Bij de enkelvoudige raadkamers hangt het af van de betreffende raadkamerrechter of wel of niet aan het einde van de raadkamerzitting direct mondeling een beslissing wordt gegeven en toegelicht.
Uit de interviews met rechters volgt dat de mondelinge motivering van een beslissing over de voorlopige hechtenis vooral tot doel heeft dat de minderjarige en zijn ouders begrijpen wat de beslissing inhoudt en waarom deze beslissing is genomen. Zoals ook blijkt uit de observaties, proberen rechters doorgaans in zo eenvoudig mogelijke bewoordingen de beslissing uit te leggen.4 Sommige rechters-commissarissen en raadkamerrechters geven daarbij een uitgebreide, op de individuele zaak toegespitste mondelinge motivering, terwijl anderen volstaan met een korte motivering in algemenere (standaard)bewoordingen. Zo kwam tijdens het observatieonderzoek naar voren dat de raadkamer van één van de onderzochte rechtbanken haar beslissing tot afwijzing van een schorsingsverzoek welhaast standaard motiveerde met de frase: “de strafvorderlijke belangen wegen op dit moment zwaarder dan jouw persoonlijke belangen om te worden geschorst”, zonder nader invulling te geven aan deze belangen.
Verschillende geïnterviewde rechters wijzen erop dat minderjarige verdachten eigenlijk alleen maar wil weten of zij wel of niet naar huis mogen. Volgens één van de geïnterviewde raadkamerrechters heeft een uitgebreide en gedetailleerde mondelinge motivering van die beslissing dan ook weinig toevoegde waarde, zeker bij minderjarigen met een laag intelligentieniveau.
“Kijk, die advocaat kent het klappen van de zweep wel. De officier ook. En die jongeren zitten daar vaak ook met een IQ van een poffertje. En die willen gewoon weten: ‘ga ik naar huis of niet?’ Dus wij beginnen van ‘sorry, maar je gaat niet naar huis. Waarom niet? We vinden het te erg wat er gebeurd is. Je moet gewoon nog even blijven en dan zien we de volgende raadkamer wel weer ’.”5
Uit verschillende interviews komt naar voren dat rechters-commissarissen en raadkamers regelmatig minderjarige verdachten met een licht verstandelijke beperking voor zich krijgen.6 Een aantal rechters toont zich tijdens de interviews bewust dat hiermee rekening moet worden gehouden bij de mondelinge motivering van de beslissing.
“Als een jongere zwakbegaafd is, moet je je echt wel aanpassen, want anders snapt ie het echt niet. Ik zou het heel vervelend vinden als een jongere hier de deur uitgaat en geen idee heeft [wat de beslissing inhoudt, YB].”7
Uit de interviews met rechters – en de inzage in dossiers voorafgaand aan de bijgewoonde raadkamerzittingen – volgt dat er ook voor wat betreft de schriftelijke motivering van beslissingen over de voorlopige hechtenis van minderjarigen grote verschillen bestaan tussen rechtbanken (en rechters). Bij één van de onderzochte rechtbanken motiveert de rechter-commissaris, die alle voorgeleidingen van minderjarigen behandelt, zijn beslissingen uitvoerig op schrift en wordt tevens een uitgebreid proces-verbaal van de voorgeleiding opgemaakt. Bij andere rechtbanken bevat de schriftelijke motivering van voorlopige hechtenisbeslissingen voornamelijk standaardzinnen. Veelzeggend is dat verschillende rechters tijdens de interviews termen als “standaardriedel”,8 “tekstblokken”,9 “imprimés”,10 “standaardoverwegingen”,11 “sjabloonmatig”12 en “clichématig”13 gebruiken om de praktijk van de schriftelijke motivering van voorlopige hechtenisbeslissingen te duiden. Zo ook de raadkamerrechter die stelt:
“De ernstige bezwaren en gronden, daarvan wordt altijd gezegd van ‘die zijn er ’. We zeggen het nog wel eens, maar we motiveren het op papier meestal niet. Ik denk dat dat ook in verband met tijdsgebrek is. (…) Het motiveren van het al dan niet afwijzen van een schorsing is vaak ook een standaardmotivering.”14
In één van de onderzochte rechtbanken wordt door de raadkamer gewerkt met een ‘kruisjesformulier ’, waarop de gronden voor voorlopige hechtenis zonder nadere motivering worden aangevinkt. In deze rechtbank worden raadkamerbeslissingen over de voorlopige hechtenis van minderjarigen noch mondeling, noch schriftelijk gemotiveerd. Eén van de raadkamerrechters is tijdens een interview zeer kritisch op deze praktijk:
“Ik vind eigenlijk dat je het [de beslissing over de gevangenhouding, YB] wel moet uitleggen. En wij leggen het eigenlijk niet uit. En het gaat soms wel over 30 dagen. En ik vind zelf: als jeugdrechter moet je nog meer dingen uitleggen dan als volwassenenrechter. En ik vind het eigenlijk heel erg slecht zoals wij dat doen. Dus dat je zegt ‘ik denk erover na, je hoort morgen de beslissing’. En dan krijgt hij vervolgens een kruisjesformulier, maar moet wel 30 dagen zitten. Dat vind ik eigenlijk gewoon niet kunnen.”15
Deze raadkamerrechter staat hierin niet alleen. Onder veruit de meeste geïnterviewde rechters bestaat een consensus over het belang van een gedegen (schriftelijke) motivering van voorlopige hechtenisbeslissingen. Er wordt op gewezen dat dit niet alleen van belang is voor de minderjarige verdachte en zijn ouders, maar ook voor de raadsman van de verdachte en het Openbaar Ministerie met het oog op de volgende raadkamer of het eventueel instellen van hoger beroep tegen de voorlopige hechtenisbeslissing bij het gerechtshof, alsook voor het gerechtshof dat een dergelijk beroep moet beoordelen. Verschillende rechters stellen zich tijdens de interviews op het standpunt dat voor wat betreft de schriftelijke motivering van voorlopige hechtenisbeslissingen een verbeterslag kan worden gemaakt.
“Nou we hebben net weer eens aan de orde gesteld met de kinderrechters dat het belangrijk is dat wij goed motiveren. Dat we het eigenlijk toch iets uitgebreider moeten doen. Ook voor de advocaat voor de volgende raadkamer. Ook voor het Hof. Dat het wat uitgebreider is. (…) Het moet eigenlijk dezelfde dag klaar zijn, dat raadkamerverhoor. Dat betekent dat je het snel doet en alles standaard. En we hebben nu net gezegd: eigenlijk kan je niet volstaan met een standaardoverweging. Dus we zouden even moeten kijken of we het toch iets meer uitgebreider moeten doen.”16
Tegelijkertijd wijzen geïnterviewde rechters ook op praktische problemen die uitgebreider schriftelijk motiveren van voorlopige hechtenisbeslissingen met zich brengen. Zo ook een rechter-commissaris die stelt:
“De meerwaarde is er zeker. Alleen dan krijg je vervolgens de praktische uitwerking. Want er moet een bevel bewaring komen en in dat bevel bewaring moeten de gronden staan. Dat bevel bewaring moet eigenlijk gelijk met de verdachte mee naar beneden naar de cel. Ja, werk dat maar eens uit. Dat betekent dat je een voorgeleiding doet en dan vervolgens een half uur een beschikking in elkaar moet zetten met de griffier. Dat kan. Het zou een keuze kunnen zijn, maar ik denk dat het praktisch lastig uitvoerbaar is. En je zou misschien ook, zoals het nu ook gebeurt, de p-v’s zijn vrij uitvoerig en daar wordt wel ook, zij het puntsgewijs, wordt toch wel wat meer uitgebreid gemeld over wat de RC heeft gezegd. Dat we misschien daar nog wat meer aandacht aan kunnen besteden. Dat het daar wat uitvoeriger in staat beschreven.17
Tijdens de interviews wordt door rechters gewezen op “tijdsdruk” en “slagvaardigheid” die in de weg zouden staan aan het uitvoerig schriftelijk motiveren van voorlopige hechtenisbeslissingen.18 Niettemin volgt uit de in het kader van het onderhavige onderzoek afgenomen interviews dat vooral advocaten,19 maar ook officieren van justitie20 de veelal beperkte en soms zelfs volledig absente schriftelijke motivering van de voorlopige hechtenisbeslissing van de rechter ook in jeugdstrafzaken als een groot knelpunt ervaren. Advocaten en officieren wijzen er onder meer op dat de gebrekkige motivering het lastig maakt om hoger beroep in te stellen tegen een voorlopige hechtenisbeslissing, omdat noch de advocaat, noch de officier, noch het gerechtshof inzicht heeft in de overwegingen van de raadkamer. Ook stellen verschillende geïnterviewde advocaten dat zij vaak niet goed aan hun minderjarige cliënten kunnen uitleggen waarom zij in voorlopige hechtenis moeten blijven, omdat de advocaat zelf ook geen enkel zicht heeft op de overwegingen die ten grondslag liggen aan de beslissing van de rechter.