Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.2.3
7.2.3 Gang van zaken ter voorgeleiding en raadkamerzitting
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De officier van justitie die aanwezig is bij raadkamerzittingen betreft veelal een waarnemend ‘raadkamerofficier ’ die tijdens alle op een dag(deel) ingeroosterde raadkamerzittingen het Openbaar Ministerie (lees: de zaaksofficieren) vertegenwoordigt. Zie par. 8.2.1.2.
Bij sommige rechtbanken geschiedt dit direct na het verhoor, bij andere rechtbanken pas aan het einde van de voorgeleiding, doch altijd voordat de rechter-commissaris zijn beslissing uitspreekt. Bij laatstbedoelde rechtbanken wordt ook hetgeen dat door de andere aanwezigen tijdens de voorgeleiding naar voren is gebracht in het proces-verbaal opgenomen en voorgelezen.
Dit heeft – zoals in paragraaf 7.2.5. nader zal worden beschreven – implicaties voor de motivering van de voorlopige hechtenisbeslissing.
Interview rechter-commissaris K.
Voorgeleidingen en raadkamerzittingen zijn besloten zittingen. Tijdens voorgeleidingen en raadkamerzittingen van minderjarigen zijn, naast de rechter(s) en griffier, de verdachte en diens advocaat, een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming en/of jeugdreclassering en doorgaans ook één of beide ouders van de verdachte aanwezig. De officier van justitie is in de praktijk vrijwel nooit aanwezig bij voorgeleidingen, maar wel bij raadkamerzittingen.1 Voorts is, indien nodig, een tolk aanwezig voor de verdachte of diens ouders. Ook kan de rechter-commissaris of de voorzitter van de raadkamer bijzondere toegang verlenen aan personen om aanwezig te zijn bij de voorgeleiding of raadkamerzitting. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om een meerderjarige broer, zus of ander familielid van de verdachte of een maatschappelijk werker die nauw betrokken is bij de minderjarige verdachte en/of het gezin.
Voorgeleidingen en raadkamerzittingen hebben een redelijk vaste structuur. Niettemin bestaan er voor wat betreft deze structuur in de praktijk enige verschillen tussen rechtbanken en hebben de rechter-commissaris en voorzitter van de raadkamer de ruimte om hier enigszins flexibel mee om te gaan. Dit betekent onder meer dat de exacte volgorde waarin de aanwezigen het woord krijgen per rechtbank en soms zelfs per voorgeleiding of raadkamerzitting kan verschillen. Niettegenstaande deze verschillen wordt in het navolgende in grote lijnen een beeld geschetst van de gang van zaken tijdens respectievelijk de voorgeleiding en raadkamerzitting van een minderjarige verdachte.
Aan het begin van de voorgeleiding legt de rechter-commissaris in eenvoudige bewoordingen aan de verdachte uit welke personen aanwezig zijn en wat hun rol is, waarbij ook wordt uitgelegd dat de rechter-commissaris zal beslissen over de vordering tot inbewaringstelling. Ook stelt de rechter-commissaris de minderjarige ervan op hoogte dat hij als verdachte niet is verplicht om antwoord te geven op vragen (de cautie). Vervolgens vangt het verhoor van de minderjarige verdachte door de rechter-commissaris aan, waarbij onder meer vragen worden gesteld over de verdenking, eerdere politie- en justitiecontacten en de persoonlijke omstandigheden van de minderjarige. De griffier maakt direct een proces-verbaal op van het verhoor en leest dit vervolgens hardop voor, waarna dit moet worden ondertekend door de verdachte.2 Na het verhoor krijgen de Raad voor de Kinderbescherming en/of de jeugdreclassering het woord om hun zienswijzen naar voor te brengen. Vervolgens krijgen de ouders van de minderjarige de gelegenheid om iets te zeggen. Daarna mag de raadsman van de minderjarige zijn pleidooi houden. In reactie op hetgeen naar voren wordt gebracht, stelt de rechter-commissaris tussendoor of aan het einde van de voorgeleiding soms enkele vragen aan de minderjarige of aan de overige aanwezigen. De minderjarige verdachte krijgt in elk geval aan het einde van de voorgeleiding nog de gelegenheid om iets te zeggen. De rechter-commissaris sluit de voorgeleiding af met het mededelen van zijn beslissing over de vordering tot inbewaringstelling. In zijn beslissing gaat de rechter-commissaris ook in op eventuele verzoeken die tijdens de voorgeleiding zijn gedaan door de advocaat van de minderjarige verdachte.
De raadkamerzitting kent een soortgelijk begin als de voorgeleiding: de voorzitter van de raadkamer start de raadkamerzitting met een korte introductie van de aanwezigen, een uitleg van hetgeen waarover door de raadkamer zal worden beslist en met het geven van de cautie. Vervolgens krijgt de officier van justitie het woord om zijn vordering tot gevangenhouding toe te lichten, waarna de verdachte de gelegenheid krijgt om hierop te reageren. Dan krijgen de Raad voor de Kinderbescherming en/of de jeugdreclassering het woord, waarna ook de ouders van de minderjarige de gelegenheid krijgen om iets te zeggen. Voorts mag de raadsman van de minderjarige zijn pleidooi houden. De officier van justitie krijgt vervolgens de gelegenheid om te reageren op hetgeen door de Raad, jeugdreclassering en raadsman naar voren is gebracht. De raadsman krijgt vervolgens op zijn beurt de gelegenheid om te reageren op de officier van justitie. Tussendoor kan de voorzitter van de raadkamer vragen stellen aan de minderjarige verdachte of andere aanwezigen. Aan het einde van de raadkamerzitting geeft de voorzitter zijn collega-raadkamerrechters de gelegenheid om vragen te stellen, waarna de minderjarige verdachte het ‘laatste woord’ krijgt. Bij sommige rechtbanken worden alle aanwezigen vervolgens gesommeerd om de zaal te verlaten, zodat de rechters van de meervoudige raadkamer kunnen gaan ‘raadkameren’ over de beslissing. Zodra de raadkamerrechters het eens zijn over de beslissing worden de overige aanwezigen teruggeroepen naar de zaal, alwaar de voorzitter van de raadkamer de beslissing mondeling uitspreekt. Bij andere rechtbanken vindt het ‘raadkameren’ niet direct, maar pas aan het einde van de dag plaats, nadat alle raadkamerzittingen zijn geweest. Dit betekent dat de minderjarige doorgaans pas een dag later (schriftelijk) op de hoogte wordt gebracht van de beslissing.3
Reflecterend op de hierboven beschreven gang van zaken tijdens voorgeleidingen en raadkamerzittingen, verdient één bevinding uit het onderhavige observatieonderzoek bijzondere aandacht, te weten: de structurele afwezigheid van de officier van justitie bij voorgeleidingen van minderjarigen. In het onderhavige onderzoek was er tijdens geen van de 70 geobserveerde voorgeleidingen een officier van justitie aanwezig. Desgevraagd uiten verschillende geïnterviewde rechters zich uitermate kritisch over deze structurele afwezigheid van de officier. Zo legt een rechter-commissaris tijdens een interview uit dat hij hierdoor soms het gevoel heeft dat hij “op de stoel van het OM moet gaan zitten”, terwijl hij dat “zéér oneigenlijk” vindt:
“Dat vind ik een groot gemis, want dat maakt dat ik soms het gevoel heb dat ik op de stoel van het OM moet gaan zitten. Waarom moet ik die advocaat weerspreken als het om bepaalde dingen gaat? Dat vind ik zéér oneigenlijk. Want ik voel me daarmee de wederpartij van de advocaat en daarmee van de verdachte… dat is niet de bedoeling zou je denken toch?! Maar door die constructie… dan zit je vaak gewoon het standpunt van de officier de verdedigen! Dus je moet zoeken naar een manier om dat niet te doen. Ik vind het heel storend. Ik kan niet anders zeggen. Hoe dat ook over komt op de argeloze rechtzoekende en zijn familie. Ze noemen ons ook wel eens ‘jullie’: OM, rechtbank, politie. Ik snap dat met name in die setting en ik vind dat eigenlijk niet goed.”4
Voorts wijzen andere geïnterviewde rechters-commissarissen erop dat zij het voor hun besluitvorming als lastig ervaren dat de officier niet aanwezig is bij de voorgeleiding om de – op papier veelal slechts summier onderbouwde – vordering mondeling toe te lichten, waardoor zij zich als het ware gedwongen voelen om zelf in het dossier op zoek te gaan naar eventuele ernstige bezwaren en gronden. Hiermee lijkt de afwezigheid van de officier direct van invloed te kunnen zijn op het proces van besluitvorming van de rechter-commissaris (zie par. 7.2.4) en mogelijk ook op de uitkomsten daarvan.