Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.2.2:7.2.2 Voorbereiding van voorgeleiding en raadkamerzitting
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.2.2
7.2.2 Voorbereiding van voorgeleiding en raadkamerzitting
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het besluitvormingsproces van de rechter-commissaris en raadkamer begint bij de voorbereiding van de voorgeleiding of raadkamerzitting. De rechter-commissaris en raadkamer krijgen voorafgaand aan de voorgeleiding c.q. raadkamerzitting de beschikking over een dossier die zij ter voorbereiding (kunnen) bestuderen. Tijdens de interviews is aan twintig rechters, die als rechter-commissaris of raadkamerrechter optreden in jeugdzaken, gevraagd hoe hun voorbereiding op de voorgeleiding of raadkamerzitting eruit ziet en over welke schriftelijke stukken zij doorgaans beschikken. Hieruit volgt dat voor wat betreft de voorbereiding een onderscheid tussen de voorgeleiding en raadkamerzitting op zijn plaats is.
Uit de interviews komt naar voren dat de voorbereiding van de rechter-commissaris op de voorgeleiding van een minderjarige doorgaans bestaat uit het bestuderen van het politiedossier, de vordering van de officier van justitie, de justitiële documentatie van de minderjarige en de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming. Soms heeft de rechter-commissaris voorafgaand aan de voorgeleiding nog – telefonisch of via de mail – contact met de officier van justitie, die doorgaans niet zelf bij de voorgeleiding aanwezig is, om zijn standpunt over een eventuele schorsing te horen. Een geïnterviewde rechter-commissaris zet zijn gebruikelijke voorbereiding op een voorgeleiding als volgt uiteen:
“Je begint natuurlijk met een proces-verbaal [het politiedossier, YB]. Dan heb je nog niet het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, dat komt altijd pas echt op het allerlaatste moment. Door dat proces-verbaal krijg je natuurlijk in ieder geval al een beeld van het feit dat heeft plaatsgevonden en de ernst daarvan en de impact daarvan. Ook kom je daar natuurlijk soms wel al wat te weten over de persoon van de verdachte, omdat daar soms ook wel persoonlijke vragen worden gesteld tijdens de verhoren. En er zit ook wel wat andere informatie soms al in voor de melding naar de Raad voor de Kinderbescherming enzo. Nou dan krijg je vrij kort van tevoren natuurlijk het rapport [van de Raad]. Dat probeer je ook zo goed en zo kwaad als het kan door te lezen. Daar begin je vaak vooral bij de beantwoording van de vragen: wat is het voor jongen?; maakt de Raad zich zorgen?; wat is zijn inbedding?; hoe gaat het op school?; wat is zijn dagbesteding?; hoe is zijn contact met ouders of is hij al uit huis geplaatst?.... Nou ja, dan heb je wel een beetje een beeld. Soms probeer ik nog wel eens even met de officier te overleggen als ik al het gevoel heb van ‘nou, dit zou misschien wel tot een schorsing kunnen komen’: hoe kijkt de officier daar tegenaan? Als de officier al niet zelf heeft aangegeven dat ze niet onwelwillend staan tegenover een schorsing ofzo. Je kijkt natuurlijk ook even naar wat de Raad voor advies geeft over schorsing. En dan krijg je natuurlijk de behandeling [de voorgeleiding, YB].”1
De voorbereiding van de rechter-commissaris op de voorgeleiding van een minderjarige wordt sterk beïnvloed door tijdsdruk. Uit verschillende interviews komt naar voren dat met name de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming, maar soms ook de vordering van de officier van justitie pas op het laatste moment bij de rechter-commissaris terecht komen. Ook tijdens de observaties van voorgeleidingen viel op dat de rechter-commissaris soms pas enkele minuten voor aanvang van de voorgeleiding het rapport van de Raad onder ogen kreeg. Een rechter-commissaris legt tijdens een interview uit dat dit ontegenzeggelijk een weerslag heeft op de grondigheid van de voorbereiding van een voorgeleiding:
“Nou als er een voorgeleiding is, dan krijg je de eerste stukken van het kabinet, meestal een uur á anderhalf uur van tevoren. Dat is dan het p-v [proces-verbaal, YB], het voorgeleidingsp-v. Soms zit daar alvast een klein rapportje van de Raad bij, maar heel vaak niet. En dan wordt het je vijf minuten van tevoren nog even toe gemaild. Dus je leest alles eigenlijk diagonaal. Als het goed is, zit er wel een doc [justitiële documentatie, YB] bij, dus je weet wel wat al eerder is voorgevallen. Soms zitten zelfs de vorderingen [van de officier van justitie, YB] er niet bij. Dat is wel heel lastig, want dat krijg je dan allemaal op het laatste moment. Dus dan weet je dan pas op welke gronden de officier een vordering bewaring doet.”2
Bij de voorbereiding van de raadkamer speelt tijdsdruk minder, althans niet op eenzelfde manier, en is de informatie doorgaans vollediger. Raadkamerzittingen van minderjarigen worden bij veel rechtbanken op een vaste dag in de week ingeroosterd en de te behandelen zaken zijn doorgaans al een week van tevoren bekend. Tijdsdruk kan echter niettemin parten spelen bij de voorbereiding van raadkamerrechters, bijvoorbeeld indien op de betreffende dag veel raadkamerzittingen (of andere zittingen) zijn ingeroosterd. Bij verschillende rechtbanken is het de vaste praktijk dat juridisch mede-werkers voorafgaand aan de raadkamerzittingen uittreksels maken van de dossiers om de voorbereiding van de raadkamer voor de raadkamerrechters te vereenvoudigen. Een geïnterviewde raadkamerrechter constateert dat dit ertoe leidt dat het regelmatig voorkomt dat twee en soms zelfs drie van de drie raadkamerrechters het dossier niet zelf hebben bestudeerd, hetgeen volgens hem risico’s met zich brengt:
“Eén van ons [raadkamerrechters, YB] of één van onze medewerkers maakt een uittreksel van het dossier en zet dat voor alle raadkamerleden op de schijf waar iedereen [de rechters, YB] toegang toe heeft. Dat betekent dat wij het dossier vaak niet kennen, tenzij je zelf (…) het dossier hebt bewerkt. Maar meestal hebben twee van de drie en soms zelfs drie van de drie raadkamerrechters het dossier zelf niet gezien en is dat dossier door een derde samengevat. Dat levert risico’s op: dat de samenvatting niet deugt zeg maar of onvolledig is of een verkeerd beeld geeft van de zaak. Daarom hebben we in ieder geval wel het dossier erbij voor vraagpunten tijdens de raadkamer, daarmee bedoel ik natuurlijk tijdens het onderling overleg in de raadkamer, om dan nog even goed in het dossier te kijken van ‘er is een lacune in het uittreksel, hoe zit dan nou?’. Dus als wij getriggerd worden door een slecht of onvolledig uittreksel, dan gaan wij zelf in het dossier kijken. En ja, daarmee moeten wij het uiteindelijk doen.”3
Een raadkamerrechter van dezelfde rechtbank erkent tijdens een interview dat niet iedere raadkamerrechter het volledige dossier bestudeert voorafgaand aan een raadkamerzitting, maar benadrukt dat dit sterk van de persoon van de rechter afhangt:
“Dat is niet voor iedereen gelijk. Zeker als ik enkelvoudig zit, dat is buiten kijf, dan ploeg ik al die dossiers nog een keer door. Maar ook als ik voorzitter ben van de raadkamer meervoudig, dan wil ik eigenlijk alle dossiers hebben gezien.”4
Eenzelfde geluid komt naar voren tijdens een interview met een raadkamerrechter van een andere rechtbank. Deze rechter stelt zich op het standpunt dat rechters die plaatsnemen in de raadkamer alle dossiers vooraf grondig zouden moeten bestuderen, omdat de beslissing over de voorlopige hechtenis een grote impact heeft op de minderjarige en zeer bepalend is voor het verdere verloop van de strafzaak.
“Sommige mensen [rechters, YB] zijn heel snel klaar met de voorbereiding. Die lezen alleen de uittreksels. Maar ik vind eigenlijk dat je heel erg zorgvuldig moet zijn in de beginfase van zo’n proces. Dat je dan toch, wat er dan ook bekend is, dat je dan alle ins en outs moet weten, want het is heel bepalend voor wat er voor de rest gaat gebeuren. Het is al zo dat er eigenlijk geen detentiestraf wordt opgelegd als iemand vrij is. Als het in de raadkamer wordt afgewezen, is het gewoon klaar. Dat is dus heel bepalend voor de duur van de gevangenisstraf die wordt opgelegd, voor de mate van ingrijpendheid in het leven van zo iemand. Er wordt vaak gedacht dat je dat [de voorbereiding, YB] heel snel kan doen en dat gebeurt ook, want het gaat “maar” om 30 dagen, maar de impact daarvan is erg groot.”5
In een rechtbank waar niet wordt gewerkt met uittreksels van dossiers, stelt een raadkamerrechter tijdens een interview dat hij in zijn voorbereiding van een raadkamerzitting sterk leunt op het proces-verbaal van de voorgeleiding en de motivering van de beslissing van de rechter-commissaris. Deze stukken zijn volgens hem doorgaans zo volledig en informatief dat deze als het ware als uittreksels van het dossier kunnen worden beschouwd. Hierbij erkent deze raadkamerrechter dat de grondigheid waarmee de vaste kinderrechter-commissaris zijn werk doet wel een zekere “luiheid” met zich kan brengen bij de raadkamerrechter(s).
“Ik merk dat ik eigenlijk altijd eerst begin met het verhaal van de RC. Daarbij moet ik wel zeggen dat wij natuurlijk gezegend zijn met een RC die ontzettend veel opneemt in zijn verbaal. Dat zal bij andere rechtbanken ongetwijfeld anders zijn. (…) Onze jeugd-RC gaat ook echt in op de feiten, de persoonlijke omstandigheden, laat de raadsman uitgebreid aan het woord, moeder en vader, de Raad en eventueel de reclassering, dus ik merk dat ik daar altijd eerst mee begin. Dat is natuurlijk ook ingegeven door af en toe tijdsdruk. Als je ziet dat het als het ware een hamerstuk is, als dat blijkt uit de verbalen van de RC, en nogmaals we zijn er enorm mee verwend, dan scheelt dat enorm veel tijd. (…) Als het een zwijger is, is dat ‘werktijd-benadelend’, want dan moet je inderdaad toch wel de verbalen ook doorlezen [respondent glimlacht, YB]. Maar ik merk dat ik doorgaans wel heel veel heb aan die verbalen van de RC. (…) De verwenning ligt ‘m in de degelijkheid waarmee [de RC] het doet. Dat schept luiheid in de rest van het traject. Daar ben ik heel eerlijk in.”6
Deze raadkamerrechter stelt hiermee dat de intensiteit van de voorbereiding van een raadkamerzitting mede afhangt van de proceshouding van de verdachte, in die zin dat een zwijgende verdachte aanleiding geeft om het dossier grondiger te bestuderen om te kunnen beoordelen of er ernstige bezwaren in de zin van artikel 67, derde lid Sv aanwezig zijn (vgl. par. 7.4.2).
Samenvattend kan worden gesteld dat de voorbereiding van de voorgeleiding door de rechter-commissaris over het algemeen sterk wordt beïnvloed door tijdsdruk en onvolledigheid van processtukken. De wijze waarop de raadkamerzitting wordt voorbereid, lijkt per rechter te verschillen. Wel is duidelijk geworden dat niet alle rechters ter voorbereiding van een (meervoudige) raadkamerzitting zelf het gehele dossier grondig bestuderen.