Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.2.4:7.2.4 Proces van besluitvorming
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.2.4
7.2.4 Proces van besluitvorming
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bij sommige rechtbanken wordt de beslissing van de raadkamer niet uitgesproken en niet gemotiveerd (zie par. 7.2.5). Daar eindigt het besluitvormingsproces op het moment dat de rechters in de raadkamer het eens zijn over de beslissing en deze beslissing doorgeven aan de bij het raadkameroverleg aanwezige griffier.
Interview rechter-commissaris H
Interview rechter-commissaris P
Interview raadkamerrechter N
Interview raadkamerrechter J
Interview raadkamerrechter N
Interview raadkamerrechter P
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het rechterlijke besluitvormingsproces over de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte start bij de eerste blik van de rechter in het dossier – of het uittreksel daarvan – ter voorbereiding van de voorgeleiding of raadkamerzitting, zet zich voort tijdens de behandeling ter voorgeleiding of raadkamerzitting en het daarop volgende raadkameroverleg en eindigt bij het uitspreken en/of op papier (laten) zetten van een (gemotiveerde) beslissing.1 Tijdens de interviews is aan de rechters de vraag voorgelegd in hoeverre zij tijdens de voorbereiding van een voorgeleiding of raadkamerzitting op basis van de schriftelijke stukken al een (voorlopig) oordeel vormen en in hoeverre juist de behandeling ter voorgeleiding of raadkamerzitting – en het daarop volgende raadkameroverleg – van invloed is op de uiteindelijke beslissing. Een rechter-commissaris zegt hierover:
“Ik denk dat ik in acht á negen van tien gevallen ’s ochtends [na het bestuderen van het dossier, YB] wel weet hoe het ’s middags [tijdens de voorgeleidingen, YB] gaat aflopen. Zeker als ik de adviezen van de Raad er al bij heb. Anders kan het nog wel eens anders uitvallen.”2
Een andere rechter-commissaris stelt tijdens een interview juist dat hetgeen de Raad voor de Kinderbescherming en de raadsman van de verdachte tijdens de voorgeleiding naar voren brengen, alsook de indruk die hij tijdens de voorgeleiding van de minderjarige verdachte en de ouders krijgt sterk van invloed kunnen zijn op zijn beslissing. Deze rechter-commissaris benadrukt dan ook dat zijn beslissing pas tijdens de voorgeleiding definitief vorm krijgt.
“Nou, ik vind wel echt dat wat de Raad zegt, wat je soms pas tijdens de voorgeleiding zelf hoort, en ook wat de raadsman naar voren brengt, dat heeft daar wel invloed op. Kijk, als er geen schoringsverzoek gedaan wordt, dan denk je daar nog wel over na, maar dan ben je toch minder geneigd om te gaan schorsen dan wanneer een raadsman een heel uitdrukkelijk schorsingsverzoek doet en dat onderbouwt. (…) Dat speelt er toch wel in mee. En de indruk ook wel. Er zijn soms jongens bij waarvan je denkt ‘je zegt het allemaal wel heel mooi, maar hmm…’ en anderen waarvan je denkt ‘uit het dossier komt een enorm vervelende etter naar voren’ en dan zie je hem en zijn ouders en dan merk je de betrokkenheid, dan heb je toch soms dat de weegschaal net de andere kant op slaat. Nee, het is niet zo dat ik van tevoren al mijn beslissing klaar heb.”3
Een geïnterviewde raadkamerrechter noemt het zelfs een fundamenteel principe dat hij zich als rechter open stelt voor “redelijke standpunten” die door de verdachte en zijn raadsman tijdens de raadkamerzitting naar voren worden gebracht en dat deze serieus worden meegenomen in de besluitvorming. Dit betekent volgens hem dat de beslissing over de voorlopige hechtenis bij aanvang van de raadkamerzitting nog helemaal open ligt. Hij verwoordt dit tijdens het interview op treffende wijze:
“In Nederland worden de strafzaken grotendeels op papier afgedaan. Dus je hebt veel informatie vóór de zitting. Maar ik doe het nou al heel erg lang, maar het is toch vaak weer verrassend wat er op de zitting uiteindelijk gebeurt. En de verplichte basishouding is dat je ontvankelijk bent voor redelijke standpunten. Daar heeft een verdachte ook recht op vind ik. Dat klinkt een beetje hoogdravend, maar ik vind dat echt fundamenteel. (…) Het is een uniek iets, een proces, je kunt het ook niet reproduceren, je kijkt hem aan, hij komt binnen… Ze komen vaak binnen als verdoofde konijnen in een lichtbak, uit die celletjes zo’n zaal binnen. Daar zit een vent met een jurk op een podium, moet je voorstellen wat een ongelooflijk ongelijkwaardige situatie dat is. En dan is het mijn taak in die heel korte tijd iets van contact tot stand te brengen en dat vind ik echt een vak om dat te proberen. Nou daar speelt het allemaal een rol in. Van tevoren gaat dat dossier langs alle collega’s die zitten in de raadkamer gevangenhouding. We praten daar meestal niet over van tevoren. De raadsman heeft vaak ook al wat geroepen bij de bewaring, daar neem je kennis van. En vanmiddag [tijdens de raadkamerzitting, YB] zien we dan wel. Dat is een open zaak.”4
Een andere raadkamerrechter onderkent evenwel dat hij er niet aan ontkomt dat er zich tijdens het lezen van de stukken ter voorbereiding van de raadkamerzitting een voorlopig oordeel vorm krijgt. Niettemin stelt ook deze raadkamerrechter dat hij probeert om zo open mogelijk de raadkamerzitting in te gaan, waarbij hij zichzelf in staat acht om tijdens de zitting alsnog tot een andere beslissing te komen dan zijn aanvankelijke oordeel.
“Ik deel ze [de zaken, YB] denk ik al wel grof in van ‘nou, die kan geschorst worden waarschijnlijk en die… dat wordt lastig’. Maar dat kan nog wel wijzigen. Kijk, ik kan niet mijzelf uitschakelen. Ik ben geen robot. Ik kan niet zeggen ‘ik heb het gelezen, dan wacht ik tot de zitting en laat ik het vervolgens op mij inwerken’, dat kan niet. Het werkt al op mij in tijdens het lezen. Maar ik ben wel, denk ik, in staat om dat te herzien, dat aanvankelijke oordeel, op het moment dat ik op zitting zit. Daarom is het ook zo goed dat je in die meervoudige raadkamer zit, met z’n drieën bent, dan kun je er met elkaar over praten. (…) Dus ik ga er wel zo open mogelijk in.”5
De betreffende raadkamerrechter wijst in dit verband ook op de meerwaarde van het raadkameroverleg bij meervoudige raadkamerzittingen. Tijdens het ‘raadkameren’ komt op basis van een gedachtewisseling tussen drie rechters, die allen een eigen oordeel hebben gevormd op basis van de schriftelijke stukken en de behandeling van de zaak ter raadkamerzitting, een beslissing tot stand. Tijdens het observatieonderzoek viel op dat rechters het niet vaak oneens lijken te zijn over de te nemen beslissing over de voorlopige hechtenis of de schorsing daarvan onder voorwaarden en dat deze beslissing doorgaans vrij snel tot stand komt. Dit wordt ook naar voren gebracht door een raadkamerrechter tijdens een interview:
“Nou dat gaat heel soepel. Je loopt gewoon het rijtje wettelijke bepalingen na. Maar dat zit zo in je systeem, daar hoef je niet eens over na te denken. En dan komt eigenlijk vrij snel de beslissing automatisch tot stand. We zitten daar geen uren over te raadkameren.”6
Mogelijk dwingt ook de door de rechters ervaren tijdsdruk ertoe dat in raadkamer snel tot een consensus moet worden gekomen. Eén van de geïnterviewde raadkamerrechters is echter bijzonder kritisch op de praktijk waarin rechters niet langer dan een paar minuten willen raadkameren over een beslissing en stelt dat de werkdruk hiervoor geen excuus mag zijn.
“Ik vind het niet kunnen dat het eigenlijk de sport lijkt te zijn, vooral in volwassenen-raadkamers, maar ook in jeugd-raadkamers, om het vooral binnen tien minuten af te handelen. Je merkt dat je bijzitters beginnen te draaien of op de tafel beginnen te trommelen als het langer dan drie minuten duurt. Dat vind ik ook heel slecht: het gaat uiteindelijk wel over 30 dagen [gevangenhouding, YB].”7
Niettemin waren er tijdens het observatieonderzoek ook raadkamers waarin de opvattingen van de rechters over de te nemen beslissing uiteenliepen, hetgeen noopte tot een uitvoeriger overleg. Zo werd tijdens één van de geobserveerde raadkameroverleggen uiteindelijk expliciet op basis van een compromis een beslissing genomen. Bij een andere bijgewoonde zaak werd de beslissing zelfs aangehouden tot het einde van de dag, omdat de rechters het in eerste instantie niet eens konden worden over de beslissing om de voorlopige hechtenis wel of niet schorsen.