Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.5.2.1
7.5.2.1 Soorten bijzondere voorwaarden
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Interview rechter-commissaris K.
Vgl. paragrafen 2.2.2 en 2.7.2.
Raadkamerzitting 82.
Raadkamerzitting 140.
Voorgeleiding 8.
Interview raadkamerrechter C.
Interview raadkamerrechter G.
Raadkamerzitting 109.
Interview rechter-commissaris M.
Voorgeleiding 64 (na afloop).
Voorgeleiding 8.
Het huisarrest als schorsingsvoorwaarde stond immers in geen enkel verband met het onderzoeksbelang waarop het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis was gebaseerd.
O.a. Voorgeleiding 21; Voorgeleiding 29; Raadkamerzitting 25; Raadkamerzitting 65; Raadkamerzitting 105.
Interview raadkamerrechter I.
Voorgeleiding 35; Raadkamerzitting 15.
Paragraaf 7.5.1.2, onder C.
Paragraaf 7.5.1.2, onder D.
Interview rechter-commissaris L.
Voorgeleiding 50; Raadkamerzitting 24; Raadkamerzitting 74.
Raadkamerzitting 107.
Raadkamerzitting 4.
Raadkamerzitting 87.
Raadkamerzitting 86.
Interview rechter-commissaris L.
Vgl. Duits & Van Kordelaar 2008, p. 94.
O.a. Voorgeleiding 50; Raadkamerzitting 21; Raadkamerzitting 27; Raadkamerzitting 28; Raadkamerzitting 99. Sommige rechters stellen zich op het standpunt dat “meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek” niet als schorsingsvoorwaarde mag worden opgenomen, omdat de verdachte het recht heeft medewerking te weigeren. Om deze reden wordt soms de formulering “zich beschikbaar houden voor een persoonlijkheidsonderzoek” gehanteerd.
Interview raadkamerrechter I.
Zie paragraaf 8.5.1.4.
Voorgeleiding 46; Voorgeleiding 48.
Voorgeleiding 13.
Voorgeleiding 12.
Voorgeleiding 3.
Raadkamerzitting 20; Raadkamerzitting 3
Interview rechter-commissaris K.
De bijzondere voorwaarden die tijdens de geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzitting aan een schorsing werden verbonden zijn behoorlijk divers. Niettemin is het mogelijk om uit die uiteenlopende voorwaarden een aantal categorieën te destilleren. Zo maakte een rechter-commissaris tijdens een interview een tweedeling tussen “vrijheidsbeperkende voorwaarden” en “zorgvoorwaarden”.1 De vrijheidsbeperkende voorwaarden hebben in deze benadering primair betrekking op het voorkomen van recidive, terwijl de zorgvoorwaarden op de persoon van de verdachte toegespitste vormen van hulpverlening betreffen. Lastig aan deze benadering is mijns inziens dat het onderscheid tussen voorwaarden die strekken tot het voorkomen van recidive en voorwaarden die beogen hulpverlening te bieden niet altijd duidelijk te maken is, omdat recidive voorkomen en hulpverlening bieden veelal nauw met elkaar zijn verweven. Een voorbeeld is de avondklok, een schorsingsvoorwaarde die vrijheidsbeperkend is, maar volgens verschillende rechters ook hulpverleningsdoeleinden kan dienen, zoals het bieden van structuur en ritme aan een jeugdige verdachte (zie onder A).
Op basis van een analyse van de bijzondere voorwaarden die lopende het observatieonderzoek door rechters aan de schorsing van de voorlopige hechtenis van minderjarigen werden verbonden en van de uit de interviews voortvloeiende inzichten over de onderliggende doelen van de bijzondere voorwaarden, kunnen mijns inziens vijf categorieën bijzondere schorsingsvoorwaarden worden onderscheiden: (1) beperkende voorwaarden, (2) voorwaarden die betrekking hebben op een zinvolle dagbesteding, (3) begeleidings- of behandelingsvoorwaarden, (4) diagnostische voorwaarden en (5) gedragsaanwijzingen.
A. Beperking
De eerste categorie bijzondere schorsingsvoorwaarden die kan worden onderscheiden, betreft de beperkende voorwaarden, ofwel de ‘verboden’. Deze categorie omvat voorwaarden die vrijheidsbeperking in de zin van artikel 12 IVBPR en artikel 2 Vierde Protocol EVRM met zich brengen, zoals een gebiedsverbod, een avondklok of een contactverbod,2 maar ook andere beperkende voorwaarden, zoals een verbod op middelengebruik. De onderliggende doelen van dergelijke beperkende voorwaarden kunnen uiteenlopen.
Beperkende voorwaarden kunnen allereerst strafvorderlijke belangen dienen, waaronder – voortvloeiend uit de gronden van artikel 67a, eerste en tweede lid Sv – het voorkomen van recidive of dat het politieonderzoek wordt gefrustreerd. Zo overwoog een raadkamer in een zaak van een 14-jari-ge die werd verdacht van een poging tot diefstal met geweld, hetgeen in de avonduren zou hebben plaatsgevonden, dat met een avondklok als schorsingsvoorwaarde kon worden voorkomen dat de verdachte weer “in de avonduren op pad gaat” (lees: recidiveert).3 Een ander treffend voorbeeld van een beperkende voorwaarde die aan de schorsing werd verbonden om recidive te voorkomen was een verbod op het gebruik van een computer (behoudens onder toezicht van moeder) in een zaak waarin een jeugdige werd verdacht van het downloaden van kinderporno.4 Voorts schorste de rechter-commissaris de voorlopige hechtenis van een 15-jarige verdachte met een contactverbod met de nog voortvluchtige medeverdachte als bijzondere voorwaarde, teneinde te voorkomen dat de geschorste verdachte de medeverdachte zou informeren over het lopende opsporingsonderzoek.5
Voorts kunnen beperkende voorwaarden in de optiek van sommige rechters ook hulpverleningsdoeleinden dienen. Zo stelt een raadkamerrechter tijdens een interview dat hij het verbod op middelengebruik als schorsingsvoorwaarde regelmatig gebruikt ter ondersteuning van de hulpverlening.
“Niet blowen of drinken, dat maakt de hulpverlening makkelijker, het maakt de grijpbaar-heid van de minderjarige groter en het voorkomt dat je een opheffing schorsing krijgt of weer een nieuw delict.”6
Ook menen sommige rechters dat een avondklok als schorsingsvoorwaarde een jeugdige verdachte kan helpen om structuur te krijgen in zijn leven.
“Ik denk dat die avondklok er tegenwoordig bijna standaard in staat. Als ik de laatste raadkamers terugkijk, hebben we dat toch wel heel vaak opgelegd. En ook in gevallen waarin het met het delict zelf niet zo veel te maken had, maar gewoon om structuur te brengen in iemands leven. Dat is denk ik een belangrijke reden. En daar sta ik wel achter hoor, want, nogmaals, die schorsingsvoorwaarden hebben ook tot doel om het gedrag in ruimere zin te beïnvloeden dan alleen gerelateerd aan dat delict zelf.”7
Deze benadering kwam – zij het a contrario – ook naar voren tijdens het observatieonderzoek. Zo overwoog de raadkamer in een zaak van een 16-jarige, die werd verdacht van een poging doodslag, dat een avondklok als bijzondere schorsingsvoorwaarde niet nodig was, omdat de verdachte ’s avonds niet buiten rondhing en reeds voldoende structuur had in zijn leven.8
Tot slot volgt uit de interviews met rechters en het observatieonderzoek dat beperkende schorsingsvoorwaarden soms ook worden gebruikt als straf, als een pedagogische reactie op onacceptabel gedrag van een minderjarige. Zo stelt een rechter-commissaris tijdens een interview:
“Ik denk dat ik dat [een avondklok, YB] ook een beetje zie als straf. Gewoon: ‘jongen, je hebt je gewoon ontzettend in de nesten gewerkt en je gaat maar even niet naar feestjes en niet naar de bioscoop’. En zo wordt het ook echt ervaren, als straf, meestal door het hele gezin.”9
Dit volgt ook uit het observatieonderzoek. Zo legde een rechter-commissaris na afloop van een voorgeleiding, waarin hij de inbewaringstelling van een 17-jarige verdachte van een woninginbraak had geschorst, desgevraagd aan de onderzoeker uit waarom hij de avondklok als schorsingsvoorwaarde had opgelegd:
“Omdat hij rondhangt in een overlastgevende groep en de inbraak in de avond is gepleegd. Maar het is ook een stukje vergelding, lik-op-stuk. Dat zit er ook in. Het pedagogische effect; na zes maanden pas straffen heeft geen enkele zin.”10
Een dergelijke bestraffende, lik-op-stuk benadering was tevens herkenbaar in een zaak waarin een 15-jarige first offender werd verdacht van het voorbereiden van een overval.11 De verdachte bekende geëmotioneerd dat hij voor de grap berichten met een dergelijke strekking naar een vriend had gestuurd, maar nooit de intentie had gehad om daadwerkelijk een overval te plegen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde schorsing, mede omdat de verdachte open en eerlijk was geweest, maar stelde tevens dat deze actie niet zonder consequenties mocht blijven. De moeder van de verdachte was ontzettend kwaad op de verdachte en gaf aan dat de verdachte, zodra hij naar huis zou mogen, huisarrest zou krijgen. Uiteindelijk beval de rechter-commissaris de inbewaringstelling op grond van het onderzoeksbelang, omdat de medeverdachte nog voortvluchtig was. De rechter-commissaris besloot wel te schorsen en, naast het aan het onderzoeksbelang gerelateerde contactverbod met medeverdachte, ook als bijzondere voorwaarde op te nemen dat verdachte de gehele kerstvakantie huisarrest had, hetgeen zou worden omgezet in een avondklok zodra de school weer zou beginnen. Hiermee ging de rechter-commissaris mee in de opvatting van de Raad en moeder dat direct een consequentie moest volgen.12
B. Zinvolle dagbesteding
Een tweede categorie betreft de bijzondere voorwaarden die betrekking hebben op een zinvolle dagbesteding. Tijdens het observatieonderzoek was een herhaaldelijk toegepaste schorsingsvoorwaarde dat de minderjarige verdachte verplicht is om naar school en/of stage te gaan.13 Minderjarigen zijn weliswaar (doorgaans) reeds leerplichtig op grond van de Leerplichtwet, maar met het opnemen van verplichte schoolgang als schorsingsvoorwaarde wordt het belang hiervan onderstreept en kan op het niet naleven van deze plicht door de minderjarige stevig worden gereageerd door middel van een opheffing van de schorsing.
“Kijk naar school gaan, dat is een reële voorwaarde, want dat moet toch. En op tijd naar school gaan en geen verzuim. (…) En als dat niet gaat, als hij te laat is, wordt hij vastgezet, dus dat gaat heel ver.”14
Ook het verplicht voortzetten van een bijbaantje werd in een aantal gevallen als bijzondere voorwaarde aan de schorsing verbonden.15 Dat rechters de minderjarige verdachte door middel van schorsingsvoorwaarden verplichten om naar school of werk te gaan, is op zich niet verrassend, daar in bovenstaande paragraaf 7.5.1.2 al duidelijk is geworden dat een dergelijke ‘zinvolle dagbesteding’ cruciaal kan zijn in de besluitvorming van de rechter om de voorlopige hechtenis wel of niet te schorsen. Schoolgang of het behoud van een baan kan een zwaarwegend belang zijn om te schorsen.16 Voorts is een dergelijke dagbesteding welhaast een minimumvoorwaarde voor het vertrouwen van de rechter in een goed verloop van de schorsing.17 Het ligt in die zin dus voor de hand dat de rechter deze dagbesteding wil waarborgen door middel van schorsingsvoorwaarden.
C. Begeleiding en behandeling
Een derde categorie bijzondere voorwaarden betreft de zogenaamde begeleidings- en behandelingsvoorwaarden. Uit het observatieonderzoek en de interviews volgt dat de rechter-commissaris of raadkamer die in een jeugdzaak besluit de voorlopige hechtenis te schorsen vrijwel standaard de bijzondere voorwaarde ‘houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering’ in de beschikking opneemt. Hiermee wordt de jeugdreclassering de bevoegdheid verleend om de verdachte gedurende de schorsing actief te begeleiden en te instrueren en is de verdachte verplicht om zich aan deze instructies te houden. Onder de geïnterviewde rechters bestaat overeenstemming dat begeleiding (en toezicht) door de jeugdreclassering eerst en vooral belangrijk is om recidive te voorkomen, maar ook de opvatting dat de jeugdreclassering in ruimere zin hulpverlening kan bieden aan de jeugdige verdachte wordt breed gedragen. Een rechter-commissaris geeft tijdens een interview aan de begeleiding van de jeugdreclassering in de schorsingsfase op te vatten als een effectieve vorm van hulpverlening:
“We hebben op zich een heel rijk land wat dat betreft, vind ik. Je mag zomaar een half jaar lang van jeugdreclassering gebruik maken… een verstandige hulpverlener die je helpt. Eigenlijk zouden pa en moe het moeten doen, maar pa en moe die slagen er niet in. Vreemde ogen dwingen, nou dat kan die jeugdreclasseerder zijn, plus de stok achter de deur vanuit de strafzaak: houd je je niet aan de schorsingsvoorwaarden, dan kom je weer vast te zitten. Veel hulpverleners vinden dat een moeizame constructie: onder die druk gedrag proberen te veranderen. Maar ik denk dat het bij jeugd heel goed kan werken, want als er dan vervolgens uit drugscontroles blijkt dat hij inderdaad gestopt is met drugs gebruiken en pa en moe zeggen ‘hij is niet zoveel meer de straat op en hij is weer die oude, sociale jongen die wij daarvoor hebben gekend’ en de schoolresultaten zijn goed en hij gaat over naar het volgende schooljaar, dan denk ik van: nou, ik zeg niet dat het alleen maar door die aanpak in de strafzaak is, maar misschien heeft het wel bijgedragen. En daar heb ik plezier van! Daar doe ik mijn werk voor!”18
Jeugdreclasseringsbegeleiding wordt soms ook in intensievere vormen, zoals ITB Harde Kern of ITB CRIEM, als bijzondere voorwaarde aan een schorsing verbonden.19 Voorts werden tijdens de geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzittingen zo nu en dan ‘behandelingsvoorwaarden’ aan de schorsing verbonden, waaronder Multi-System Therapy (MST),20 Functional Family Therapy (FFT)21 en aggressieregulatietraining (ART).22 Ook werd in een zedenzaak de cursus ‘Verantwoord omgaan met seksualiteit’ als bijzondere voorwaarde verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis van de 17-jarige verdachte.23 In de zaken waarin dergelijke behandelingsvoorwaarden in de schorsingsbeslissing werden opgenomen, gebeurde dit steeds op uitdrukkelijk advies van de Raad voor de Kinderbescherming en/of jeugdreclassering.
Uit de interviews met rechters volgt evenwel dat de opvattingen van rechters over het opleggen van behandelingen als schorsingsvoorwaarden uiteenlopen. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de verschillende beslissingen waartoe de geïnterviewde rechters komen in de fictieve casus ‘Jeffrey’, die hen tijdens het interview is voorgelegd (zie par. 7.3.1). Sommige rechters stellen zich in deze casus op het standpunt dat het wenselijk is om een agressieregulatietraining als bijzondere voorwaarde te verbinden aan de schorsing om zo direct de agressieproblematiek van verdachte Jeffrey aan te pakken.
“Als iemand zo in elkaar steekt, dat hij een agressieprobleem blijkbaar heeft en in situaties waarin hij zich gepest voelt zo uit zijn dak kan gaan... Het zit ‘m in het disproportionele en dat hij zo in elkaar steekt. Hij moet eerst leren daarmee om te gaan. Dus daar moet je wat mee doen. En met schorsingsvoorwaarden kun je daar wel aan tegemoet komen. Dus een schorsing zou ik zeker doen. (…) Voor zo’n jongen, daar hoef je geen deskundige voor te zijn [om te zien] dat hij baat heeft bij agressietraining.”24
Andere rechters geven aan hier wat terughoudender mee te zijn. Aan deze terughoudendheid lijken twee redenen ten grondslag te liggen. Een eerste reden is dat in het vroege stadium van (de schorsing van) de voorlopige hechtenis vaak nog onvoldoende inzicht bestaat in de onderliggende problematiek, waardoor nog geen goed oordeel over de passende behandeling kan worden gegeven. Ten tweede stellen sommige rechters zich op het standpunt dat het, gelet op de onschuldpresumptie, gepaster is om dergelijke intensieve behandelingen als leerstraf op te leggen dan om deze als voorwaarde aan de schorsing van de voorlopige hechtenis te verbinden.25
Hiermee komt aldus de mogelijke spanning aan het licht tussen het belang van vroegtijdig ingrijpen door direct te starten met een behandeling en het belang van een grondige – doch mogelijk tijdrovende – diagnose alvorens met een behandeling te starten, alsook de mogelijke spanning tussen het belang van vroegtijdig ingrijpen in de voorfase van het strafproces en het belang van het afwachten van de inhoudelijke behandeling van de zaak en de eventuele veroordeling alvorens te starten met ingrijpende interventies. Rechters lijken deze belangen dus verschillend te wegen.
D. Diagnosticeren
De schorsingsfase wordt soms ook benut om een diagnose te stellen. Bijzondere voorwaarden worden ingezet om in kaart te brengen welke problematiek ten grondslag ligt aan het (vermeende) delictgedrag van de jeugdige verdachte en welke interventies zouden moeten worden ingezet om dit te keren. Dit betreft een vierde categorie bijzondere voorwaarden. Gedurende de geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzittingen werd herhaaldelijk als bijzondere schorsingsvoorwaarde opgenomen dat de verdachte zich beschikbaar moest houden voor of moest meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek.26 Een raadkamerrechter benadrukt ook tijdens een interview het belang van het stellen van een diagnose en dat schorsingsvoorwaarden bij uitstek geschikt kunnen zijn om dit te realiseren:
“Als je in korte tijd ziet dat een jongere recidiveert, dan moet je kijken wat er aan de hand is. Als dat in hele korte tijd is… ouders zijn net gescheiden, er is net iemand overleden of er is iets van een stoornis aan het aankomen of wat dan ook. Dan moet je dat meteen in kaart brengen. En dan is een schorsing natuurlijk prettig, omdat je hem kunt laten onderzoeken door een psycholoog of eventueel psychiatrisch. Dat kan je als schorsingsvoorwaarde opgeven. En dan kan je in kaart brengen wat er voor mogelijkheden zijn en dan kan je ook een adequate straf opleggen waar de jongere, de familie en de maatschappij bij gebaat is. Want het gaat natuurlijk om iedereen. In de eerste plaats voor de jongere, maar dus ook voor de slachtoffers en de maatschappij om recidive te voorkomen. Je moet weten waarom een jongere ineens dat gedrag vertoont. En daar is de schorsing ideaal voor. Het is echt heel erg belangrijk dat er een diagnose komt en intelligentietestjes. Dat is echt belangrijk.”27
Overigens heeft ook de reguliere jeugdreclasseringsbegeleiding tijdens een schorsing in zekere zin een ‘diagnostische’ functie, daar de jeugdreclassering de rechter op de eindzitting kan informeren over het verloop van de schorsing en de haalbaarheid van bepaalde (ambulante) interventies.28
E. Gedragsaanwijzingen
Een vijfde en laatste categorie bijzondere voorwaarden betreft de gedragsaanwijzingen. Het kan hierbij gaan om gedragsaanwijzingen die door de rechter-commissaris of raadkamer expliciet als schorsingsvoorwaarde in de beschikking worden opgenomen. Dergelijke aanwijzingen blinken echter niet altijd uit in duidelijkheid. Zo werd in een tweetal geobserveerde zaken als bijzondere voorwaarde opgenomen dat de jeugdige verdachte zich gedurende de schorsing “behoorlijk” diende te gedragen.29 Voorts wordt soms als bijzondere voorwaarde opgenomen dat de verdachte zich moet houden aan de (gedrags)aanwijzingen van door de rechter aangewezen instanties of personen, zoals de jeugdreclassering (zie onder C). Tijdens het observatieonderzoek kwamen evenwel ook de volgende bijzondere schorsingsvoorwaarden naar voren: “houden aan de aanwijzingen van ouders”,30 “luisteren naar ouders”,31 “luisteren naar de groepsleiding van [jeugdhulpinstelling waar de verdachte tijdens de schorsing verbleef, YB]”32 en “houden aan de huisregels van [jeugdhulpinstelling waar de verdachte tijdens de schorsing verbleef, YB]”.33 In dergelijke schorsingsvoorwaarden is duidelijk een (her) opvoedingsdoelstelling te herkennen. Dit wordt ook tijdens een interview onderkend door een rechter-commissaris:
“Ik vind de algemene functie van de voorwaarden toch de jongere helpen voldoen aan zijn verplichtingen en nuttige dingen om volwassen te worden. Dus: naar jouw ouders luisteren, naar jouw school luisteren…”34
Door dergelijke gedragsaanwijzingen als schorsingsvoorwaarden op te nemen, wordt – vanuit opvoedingsperspectief – ‘behoorlijk’ gedrag strafrechtelijk afdwingbaar, doordat dit impliceert dat op ‘onbehoorlijk’ gedrag, zoals het niet luisteren naar ouders of groepsleiding, kan worden gereageerd met de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.