De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.2.2.1:28.2.2.1 Inleiding
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.2.2.1
28.2.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372598:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. Kanter, diss., p. 115; Koopmann, diss. p. 118; Asser/Hartkamp 4-1, nr. 686.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als gezegd, in de wet staat nergens dat vervaltermijnen ambtshalve moeten worden toegepast. Desondanks wordt deze regel in de literatuur als min of meer vanzelfsprekend gepresenteerd. Verwezen wordt ter adstructie met name naar HR 26 juni 1998.1 Inderdaad lijkt de Hoge Raad in dat arrest de bedoelde regel te onderschrijven. De werknemer riep na ommekomst van de vervaltermijn van 6 maanden de nietigheid van het ontslag in. De Hoge Raad overwoog:
"De in art. 9 BBA bepaalde termijn van zes maanden is een vervaltermijn. Ten tijde van het indienen van de memorie van grieven was deze termijn reeds verstreken, zodat Kluppel toen niet meer bevoegd was tot het inroepen van de nietigheid van het ontslag. De Rechtbank had dit ambtshalve in aanmerking moeten nemen, in plaats van — impliciet — aan te nemen dat Kluppel zich tijdig op de nietigheid van het ontslag heeft beroepen."
De Hoge Raad vindt de enkele constatering dat het een vervaltermijn betreft, voldoende voor zijn conclusie dat de Rechtbank de overschrijding van die termijn ambtshalve in aanmerking had moeten nemen.
Desondanks zie ik reden tot twijfel. Dat de rechter ambtshalve vervaltermijnen toepast die van openbare orde zijn, is gemakkelijk aan te nemen. Maar waarom zou hij ambtshalve vervaltermijnen toepassen die, zoals vaak in het vermogensrecht, slechts het belang dienen van degene tegen wie het recht wordt ingeroepen?
Bepleit is dat het met verjaring en verval is als met vernietigbaarheid en nietigheid van rechtswege: 2op verjaring moet men zich beroepen zoals men zich op vernietigbaarheid moet beroepen; door verval daarentegen gaat ook buiten enige wilsuiting van de debiteur het recht teniet, net zoals de rechtshandeling in strijd met de goede zeden van rechtswege nietig is.
Naar mijn mening is het behulpzaam die analogie te verlengen door ook het tweede lid van art. 3:40 BW in ogenschouw te nemen. Dat bepaalt dat strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid, tenzij de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling; dan is er slechts sprake van vernietigbaarheid. Ligt het niet voor de hand een vergelijkbare redenering toe te passen op vervaltermijnen? Vervaltermijnen hebben van rechtswege verval van recht tot gevolg, indien zij, kort gezegd, van openbare orde zijn. Dienen zij daarentegen uitsluitend het belang van de debiteur, dan moet deze zich zelf op het overschrijden van de termijn beroepen, wil het verval intreden.
Ik zal die stelling hierna inderdaad verdedigen. Om haar wat te concretiseren, geef ik thans een aantal voorbeelden van vervaltermijnen die naar mijn mening niet ambtshalve toegepast moeten worden: art. 6:140 lid 3 BW (rechtsvordering m.b.t. rekening courant; redelijke termijn); art. 6:89 BW (recht van klagen over gebrek in prestatie; redelijke termijn); art. 6:191BW (rechtsvordering m.b.t. gebrekkig product; tien jaar); 6:268 BW (recht tot buitengerechtelijke ontbinding; met verjaring ontbinding o.g.v. 3:311); art. 7:23 lid 1 BW (recht van klagen over gekochte zaak; redelijke termijn); art. 7:44 BW (recht van reclame; zestig dagen); art. 7:647 BW (recht van vernietiging opzegging arbeidsovereenkomst; twee maanden); 8:1753 BW (rechtsvordering tot schadevergoeding reiziger; drie maanden). Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld; met name in bepalingen over de bijzondere overeenkomsten zijn vervaltermijnen te vinden waarvoor hetzelfde geldt.
Mijn betoog dan; ik begin met de bespreking van rechtspraak en literatuur.