Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.5.2.0:7.5.2.0 Introductie
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.5.2.0
7.5.2.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de algemene voorwaarden van artikel 80, tweede lid Sv, bieden de jeugdspecifieke bepalingen van artikel 493, zesde lid Sv in samenhang met artikel 27 BTJ de rechter-commissaris of raadkamer de mogelijkheid om bijzondere voorwaarden te verbinden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis.1 Van deze mogelijkheid wordt in de praktijk veelvuldig gebruik gemaakt. In vrijwel alle gevallen waarin de rechter-commissaris of raadkamer besluit de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte te schorsen, worden daar bijzondere voorwaarden aan verbonden.
Op grond van artikel 493, zesde lid Sv mag de rechter uitsluitend bijzondere voorwaarden aan de schorsing verbinden indien de verdachte hiermee instemt. Vaak heeft de raadsman dit voorafgaand aan de voorgeleiding of raadkamerzitting met de verdachte besproken en wordt door de raadsman tijdens de voorgeleiding of raadkamerzitting in het kader van een schorsingsverzoek aangegeven dat de verdachte bereid is medewerking te verlenen aan eventuele schorsingsvoorwaarden. Ook de Raad voor de Kinderbescherming en/of de jeugdreclassering informeren doorgaans voorafgaand aan de voorgeleiding of raadkamerzitting of de verdachte hiertoe bereid is om dit mee te kunnen nemen in het schorsingsadvies voor de rechter-commissaris of raadkamer. Veelal vraagt ook de rechter-commissaris of raadkamer tijdens de voorgeleiding of raadkamerzitting nog eens expliciet aan de verdachte of hij bereid is zich te houden aan bijzondere voorwaarden, mocht tot een schorsing van de voorlopige hechtenis worden beslist. Instemming met bijzondere voorwaarden door de verdachte wordt door rechters beschouwd als een minimumvereiste voor schorsing. Zo stelt een raadkamerrechter tijdens een interview:
“Ik kijk allereerst natuurlijk: zegt hij ja of nee tegen schorsingsvoorwaarden? Want als hij zegt van ‘bekijk het maar!’, dan doe ik het niet. Maar dat is ook weer niet zwart-wit, want als hij zegt van ‘ik heb daar helemaal geen zin in’, dan zeg ik ook van ‘dan maak je maar zin’. Natuurlijk, hij moet wel instemmen, maar dan duw je ze als het ware door de strot. Want dan zeg ik: ‘want anders betekent het dat je blijft zitten he’. ‘Ja, ja, oké’ [verdachte stemt dan meestal toch wel in, YB].”2
Getuige het grote aantal instemmingen in de geobserveerde zaken lijken de meeste minderjarige verdachten – dan wel hun advocaat – zich hiervan bewust te zijn.
Artikel 27 BTJ biedt de rechter-commissaris of raadkamer in jeugdzaken de ruimte om een grote variëteit aan bijzondere voorwaarden aan een schorsing te verbinden. Uit het observatieonderzoek blijkt dat rechters in de praktijk ruimhartig gebruik maken van deze ruimte: de toegepaste bijzondere voorwaarden zijn divers en worden doorgaans gecombineerd – als een ‘pakket’ – aan een schorsing verbonden.