Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.2.2.3
28.2.2.3 De doctrine
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365311:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ongemotiveerd voor ambtshalve toepassing zijn o.a. Koopmann, diss., p. 118; Asser/Hartkamp 4-1, nr. 688; Brunner, De Jong (2004), nr. 302; Hijma, Olthof (2005), nr. 98. Voorts is te noemen Vranken, die in zijn Conclusie voor BR 6 december 1996, NJ 1997, 398, ook aanneemt dat de rechter vervaltermijnen ambtshalve toetst: 'Ik stel voorop dat de rechter ambtshalve moet oordelen over het al of niet overschreden zijn van een vervaltermijn (...). Zie onder meer BR 7 februari 1992, NJ 1993, 78 resp. BR 24 mei 1996, NJ 1996, 538 met verdere gegevens in de conclusie.' In beide zaken waarnaar Vranken ter motivering van zijn stelling verwijst, overweegt de Hoge Raad met zoveel woorden dat het gaat om regels van openbare orde. Dat maakt die verwijzing ter adstructie van de stelling dat de rechter in het algemeen vervaltermijnen ambtshalve moet toepassen, minder sterk (nader over de twee verwijzingen: Vrankens tweede verwijzing (naar HR 24 mei 1996) kan ik niet direct begrijpen, omdat daar geen vervaltermijn aan de orde was, maar de appellabiliteit: 'De vraag of het in eerste aanleg gewezen vonnis vatbaar voor hoger beroep is, is van openbare orde en dient ambtshalve door de appelrechter te worden beoordeeld.' In het wél over een vervaltermijn handelende arrest van 7 februari 1992 overwoog de Hoge Raad: '[De klachten] miskennen vooreerst dat de vervaltermijn van art. 1416 BW (oud) vooreerst van openbare orde is, zodat de rechtbank gehouden was haar, ook al had Nool ter zake tegen het vonnis van de kantonrechter geen grief geformuleerd, ambtshalve toe te passen'.)
Vriesendorp, diss., p. 204:
Lichtenauer diss., p. 99.
Tjittes, Themis 2007, p. 17.
Zonder twijfel meent de grote meerderheid van de schrijvers dat vervaltermijnen in het algemeen ambtshalve moeten worden toegepast. Opvallend is, naast de weinig recente datum van de verhandelingen over dit onderwerp, dat aan de stelling dat vervaltermijnen ambtshalve moeten worden toegepast, vrij zelden een (kenbare) eigen motivering ten grondslag ligt. Dat is veelal wel te begrijpen, want er is niet altijd reden een stelling die algemeen geaccepteerd is, weer steeds met kracht van argumenten te bepleiten. Soms is ook de aard van de publicatie er niet naar de revolutie te prediken — denk aan een handboek.1aar dat doet er niet aan af dat die uitingen op zichzelf een betrekkelijke overtuigingskracht hebben.
Het meest uitgebreid zijn dissertaties van Vriesendorp (1970) en Lichtenauer (1932). Vriesendorp schrijft:
"Zijn vervaltermijnen voorschriften van processuele aard, gegeven in het belang der openbare orde (...), van verjaringstermijnen, hoewel van dwingend recht, kan afstand worden gedaan."2
Inhoudelijk vergelijkbaar maar wat uitvoeriger is wat Lichtenauer in 1932 schreef:
"Maar het is dan ook een belang van openbare orde, dat deze termijnen streng worden gehandhaafd en dus het recht niet na afloop alsnog worden verwezenlijkt, omdat de bijzondere aandrang van den wetgever daardoor zou worden miskend. Wij willen hiermede zeker niet zeggen, dat de openbare orde ermede is gemoeid, dat een recht juist dat bepaalde aantal jaren, hetwelk de wet daaraan toemeet, in leven blijft, maar dat, wanneer de wetgever eenmaal een vervaltermijn, welken dan ook, heeft gesteld, daaraan de hand wordt gehouden."3
Ook ambtshalve toepassing volgens Lichtenauer dus. De enige tegenstem komt van Tjittes. Hij schrijft in een recente publicatie over de `klachttermijn':
"In de literatuur wordt (...) algemeen aanvaard dat de artikelen 6:89 en 7:23 lid 1 wettelijke vervaltermijnen betreffen.
Indien er sprake is van een onversneden wettelijke vervaltermijn, dan is die van openbare orde, is er sprake van dwingend recht, moet de rechter de wetsbepaling ambtshalve toepassen, is afstand van door verloop van een wettelijke vervaltermijn verkregen rechten niet mogelijk, zijn de regels van stuiting, schorsing en verlenging in beginsel niet van toepassing en kunnen de wettelijke vervaltermijnen niet bij overeenkomst worden verlengd maar alleen verkort.
De voormelde rechtsgevolgen die in de literatuur algemeen verbonden worden aan wettelijke vervaltermijn gelden naar mijn mening niet zonder meer voor alle vervaltermijnen. Uit de strekking van een vervaltermijn kan worden aangenomen dat er geen sprake is van dwingend recht en dat hij niet ambtshalve door de rechter toegepast dient te worden. (...)
Naar mijn mening betreffen de artikelen 6:89 en 7:23 lid 1 geen vervaltermijnen van openbare orde. Wil een vervaltermijn van openbare orde zijn, en daarmee dwingendrechtelijk van aard zijn en ambtshalve toegepast moeten worden, dan is daarvoor het bestaan van een openbaar belang vereist dat daartoe noopt."4
Het citaat begint terughoudend in die zin dat Tjittes met de uitdrukking "onversneden vervaltermijn" lijkt te suggereren dat vervaltermijnen die niet van openbare orde zijn, geen 'echte' vervaltermijnen zouden zijn. Maar even later staat het er met zoveel woorden: vervaltermijnen die niet van openbare orde zijn, moeten niet ambtshalve worden toegepast. Tjittes' artikel gaat weliswaar in de kern over 6:89 en 7:23 BW, maar zijn bewoordingen hebben ontegenzeglijk een algemene strekking.
De enkele tegenstem van Tjittes kan er niet aan afdoen dat de (bijna unanieme) meerderheid der schrijvers meent dat vervaltermijnen van openbare orde zijn en daarom ambtshalve moeten worden toegepast. Nu is wat mij betreft zonder meer te omarmen de opvatting dat vervaltermijnen van openbare orde ambtshalve worden toegepast — denk aan termijnen in het procesrecht. Daarin ligt mijn bezwaar tegen deze opvatting niet. Mijn bezwaar ligt in de veronderstelling dát alle vervaltermijnen van openbare orde zijn.
Daarmee is denk ik het debat getekend: ik ben geen schrijver tegengekomen die eerst een onderscheid maakt tussen vervaltermijnen van openbare orde en vervaltermijnen niet van openbare orde, en die vervolgens nog gemotiveerd verdedigt dat álle vervaltermijnen ambtshalve moeten worden toegepast. Dat doet vermoeden dat het meningsverschil een stadium eerder ligt, namelijk in de kwalificatie van de verval-termijn. De vraag lijkt eigenlijk te zijn: zijn vervaltermijnen in de regel van openbare orde?