Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.2.3.3
28.2.3.3 Afstand voor ommekomst van de vervaltermijn
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS371353:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Tollenaar, NTBR 2005, p. 439-440.
Tjittes, Themis 2007, p. 18; Van Uchelen, OR 2003, p. 17; Mulder, De Vos V&O 2003, p. 47-49.
Asser/Hartkamp 4-1, nr. 661 geeft de volgende rechtvaardiging: 'Deze regel [verbod op afstand van verjaring — ILS] heeft goede zin. Het instituut der verjaring dankt zijn ontstaan aan de wens, de debiteur te beschermen en de belangen der gemeenschap te bevorderen (...). Wanneer afstand zou kunnen worden gedaan van de verjaring vóór afloop van de verjaringstermijn, zou ongetwijfeld in de meeste contracten de geijkte clausule worden opgenomen, dat de debiteur — de wederpartij van de gebruiker der algemene voorwaarden — afstand doet van de verjaring. Daardoor zou het doel van de wet worden verijdeld.' Mijn bedenking bij deze redenering is de rol die aan 'de belangen der gemeenschap' wordt toegekend. Eerder in boek bepleitte ik dat met name de kortere vijfjaarstermijnen er niet zijn in het belang van de gemeenschap, maar bijna uitsluitend in het belang van de debiteur. Die afwaardering van het algemene belang verzwakt de rechtvaardiging voor onttrekking aan de partijautonomie. Voorts vind ik het zelf lastig zo stellig de empirische verwachting uit te spreken dat 'ongetwijfeld in de meeste contracten de geijkte clausule [zou] worden opgenomen'. Ook Schoordijk koesterde haar (zie verderop in de hoofdtekst).
Overigens zou men het debat over de mogelijkheid van afstand van verjaring voor ommekomst van de termijn heel goed verder kunnen voeren. Ik heb dat in dit proefschrift niet gedaan, maar gegeven het feit dat de verjaring er is ten behoeve van de debiteur, ligt voor de hand het argument dat als hij van die verjaring afstand wil doen, hem dat vrij moet staan. Zie bijvoorbeeld Piekenbrock (2006), p. 502: 'Da die Verjährung ausschlieâlich im Interesse des Verpflichteten angeordnet wird, bestehen keine Bedenken gegen privatautonome Regelungen, mit denen die Verjährung erleichtert, erschwert oder ausgeschlossen wird.”
Schoordijk (1986), p. 441.
Zie in dit verband bijvoorbeeld wat A-G Huydecoper schrijft voor BR 11 juli 2003, NJ 2003, 551, noot 17: 'In de conclusie voor BR 21 juni 2002, NJ 2002, 540, alinea 11 (voetnoot 10) heb ik al mijn aarzeling uitgesproken over de wenselijkheid van regelingen die de betrokkenen ertoe aanzetten, op korte termijn rechtsmaatregelen te nemen. Het nemen van rechtsmaatregelen is een stap die velen, en volgens mij met recht, als belastend ervaren; die stap draagt bijna altijd bij tot (verdere) escalatie van het conflict dat klaarblijkelijk al tussen de partijen bestaat. Er is daarom (ook) veel te zeggen voor regels die partijen de ruimte laten om dergelijke stappen te temporiseren of helemaal achterwege te laten.'
Maar nu: kunnen partijen vóór ommekomst van de termijn afstand doen van verval? Er is veel voor te zeggen die mogelijkheid wél te aanvaarden. Als illustratie kan een publicatie van Tollenaar dienen over de vervaltermijn van de art. 6:89 en 7:23 BW bij aandelenkoop. Tollenaar schrijft:
"In sommige Engelstalige contracten komt men wel de formulering tegen dat de `purchaser' een schending van de garanties zo spoedig mogelijk moet melden `if the purchaser considers it will or may make a claim' (zie bijvoorbeeld het (...) arrest VFR/P&O). De koper die bekend is met bepaalde klachten kan aldus melding daarvan in principe uitstellen tot een willekeurig moment dat hij verkiest. Het is de vraag of een dergelijke formulering naar Nederlands recht wel is toegelaten. Aangenomen dat partijen de wettelijke termijnen niet mogen verlengen, mag de meldingstermijn niet later aanvangen dan het moment van daadwerkelijke ontdekking.”1
In lijn met de geldende leer betwijfelt Tollenaar inderdaad de houdbaarheid van de door hem genoemde contractsbepaling. Omdat hij vindt dat het partijen wél vrij moet staan een andere termijn te kiezen, schetst hij onder het kopje "Mitigeren van implicaties van art. 6:89 en 7:23 BW" drie mogelijkheden om de contractsbepaling tóch te doen gelden.
Mijn inschatting is dat bijna niemand op grond van materiële argumenten (dus andere argumenten dan ontleend aan de Nederlandse consensus over het dwingende karakter van vervaltermijnen) tegenover Tollenaar zal willen verdedigen dat het hier, zeg, de Amerikaanse investeerder onmogelijk gemaakt zou moeten worden met zijn wederpartij een langere termijn dan de wettelijke af te spreken. In de doctrine wordt een dergelijke beperking niet aanvaard2n ik kan zelf ook geen serieus te nemen argument bedenken om haar te verdedigen.
Als het partijen in deze casus toegestaan zou moeten zijn, waarom zou het partijen dan niet in de regel toegestaan zijn de wettelijke vervaltermijnen weg te contracteren? De geldende leer zegt, nogmaals, dat vervaltermijnen van dwingend recht zijn. Maar waarom zou dat zo zijn? Het argument van de verbiedende doctrine lijkt ook hier, net als bij de ambtshalve toepassing van vervaltermijnen, gebaseerd te zijn op het openbare orde karakter van vervaltermijnen. De onjuistheid van dat uitgangspunt is hiervoor bepleit. Is niet verdedigbaar de stelling dat vervaltermijnen niet van openbare orde door partijen opzij gezet kunnen worden?
In ieder geval is die stelling niet houdbaar voor zover het regels betreft in de sfeer van bescherming van economisch en/of sociaal zwakkere partijen. Dat van vervaltermijnen ten behoeve van bijvoorbeeld de werknemer, de huurder, de patiënt of de consument niet kan worden afgeweken, is zonder meer duidelijk. Wij weten in die gevallen het dwingende karakter van de regel ondersteund door een inhoudelijke overweging. Maar buiten dat bijzondere territoir?
In het voorgaande — bij ambtshalve toetsing en afstand van vervaltermijnen — heb ik steeds de vergelijking gezocht met de bevrijdende verjaring: in die gevallen waarin tussen verval- en verjaringstermijnen wat hun ratio betreft geen verschil bestaat, ligt het minder voor de hand uiteenlopende regels te aanvaarden. Die vergelijking nu, levert voor de onderhavige vraag een opvallende gegeven op: art. 3:322 lid 3 BW verbiedt het partijen expliciet afstand te doen van verjaring voordat de verjaring voltooid is. Die constatering lijkt in het voordeel te wegen van de dwingendrechtelijke status van vervaltermijnen.
Bedacht moet echter worden dat de verjaringsrechtelijke oplossing in de voorgaande situaties steeds aansprak: het is de rechter terecht verboden de verjaring ambtshalve toe te passen, daarom verdient die regel navolging bij verval; het is de debiteur terecht toegestaan afstand te doen van een verstreken verjaringstermijn, daarom verdient die regel navolging bij verval. Als daarentegen de verjaringsrechtelijke regel die tot voorbeeld moet dienen minder gelukkig lijkt, valt de analogie in het water. Laten wij de betreffende regel bezien.
Hoe is het verbod op 'afstand van verjaring' te rechtvaardigen? Ik noem drie gronden. Ten eerste komt onze kernverjaringsregel erop neer dat de crediteur binnen vijf jaar nadat dit van hem redelijkerwijze verwacht mocht worden, tot juridisch actie komt. Moeilijk voorstelbaar is dat partijen van tevoren een duidelijke noodzaak zien om de crediteur meer tijd te gunnen — denk ook aan de uitgebreide stuitingsmogelijkheden. Als er voor een bepaalde partij afspraak geen redelijke grond te bedenken is, is een wettelijk verbod op die afspraak nu eenmaal minder bezwarend. Ten tweede, en dat is misschien wel het belangrijkste, is er het Baron von Münchenhausen-probleem dat na substantieel tijdsverloop óók bewijs ten aanzien van afspraken over afstand van verjaring ondersneeuwt. Ten derde is ook in de landen om ons heen afstand van verjaring bij voorbaat niet mogelijk.3,4
Zo lijkt het aanknopen bij de verjaring toch aan te spreken: afstand van verjaring bij voorbaat is op goede gronden niet toegestaan, dus moet ook afstand van verval bij voorbaat niet zijn toegestaan. Maar nu het volgende: vervaltermijnen zijn over het algemeen korter dan verjaringstermijnen en zijn bovendien, volgens de heersende leer, niet te stuiten. Dát maakt de afweging anders, in die zin dat de debiteur nu wél een wezenlijk belang bij afstand van verval kan hebben; de bijl valt eerder en bovendien onafwendbaar. Omdat vervaltermijnen over het algemeen kort zijn, is ook het bewijs van de afstand minder problematisch. Vormt dat alles een voldoende distinction om over afstand van verval anders te oordelen dan over afstand van verjaring?
Mij lijkt de kern van het probleem te bestaan in het volgende dilemma. Enerzijds is wellicht terecht de vrees dat partijen bij het ontstaan van hun rechtsverhouding de problemen van serieus tijdsverloop onvoldoende overzien en daardoor te gemakkelijk een wettelijk bepaling die dat regelt, buiten werking stellen. Misschien wordt dan de afstand van verval, zoals Schoordijk ten aanzien van afstand van verjaring vreesde, een 'clause de style'.5 Tegenover die empirische kwestie, waarin ik zelf overigens niet direct stelling zou durven nemen, blijft staan de normatieve opvatting dat er vele gevallen denkbaar zijn waarin er voor de inbreuk op de partijautonomie die een verbod op afstand impliceert, geen rechtvaardiging bestaat.
Wellicht is dit het soort kwestie waarin van geval tot geval beslist moet worden. Ik zou geneigd zijn aan de volgende factoren belang toe te kennen:
Heeft tijdsverloop een debat over het bestaan van het beding bemoeilijkt? Als dat wél zo is, moet naar ik zou menen een beroep op het beding vrij snel falen. Anders valt te vrezen dat de debiteur zich met een gefingeerd beding aan zijn eigen haren uit het moeras omhoog trekt.
Wat is de lengte van de termijn? Naarmate de vervaltermijn korter is, is afstand eerder toegestaan, omdat dan het belang bij afstand wezenlijker is en het bestaan van het beding beter verifieerbaar.
Wat is de hoedanigheid van de debiteur? Naarmate de debiteur een grotere professionaliteit bezit, is afstand eerder toegestaan.
Hebben partijen een alternatieve regel afgesproken? Als partijen een eigen, alternatieve, contractuele verval-/verjaringstermijn hebben opgenomen, is afstand eerder toegestaan — juist omdat, bijvoorbeeld, bij de besproken aandelenkoop partijen een eigen regeling hadden, was het zo onbevredigend aan hen de wettelijke termijn op te dringen.
Hoe is de 'kwaliteit van de wilsvorming'? Naarmate het beding tussen partijen nadrukkelijker aan de orde is geweest, is afstand eerder toegestaan. Het paradigmatische geval van beperkte kwaliteit van wilsvorming is het beding in algemene voorwaarden dat voorziet in afstand ten faveure van de gebruiker; dat beding sneuvelt naar ik meen bijna per definitie.
Is sprake van afstand bij het ontstaan van de rechtsverhouding of na ommekomst van zekere tijd? Als het niet in de macht van partijen zou liggen om wettelijke vervaloder ausgeschlossen wird."
termijnen te ecarteren en men bovendien niet zou willen aannemen dat onderhandelingen het verval 'stuiten' — daarover straks meer —, dan kan het zich voordoen dat de crediteur tot behoud van zijn vordering gedwongen is te gaan procederen terwijl hij noch zijn wederpartij dat opportuun vindt. Dat is onwenselijk. In die situatie lijkt mij, anders dan waar de afstand in onwetendheid van enig toekomstig geschil bij voorbaat is gedaan, afstand van verval haast zonder twijfel mogelijk; natuurlijk moet het partijen vrij staan te blijven praten in plaats van te gaan procederen.6