De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.8.5:27.8.5 Conclusie
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.8.5
27.8.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372579:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf heb ik geprobeerd aan te tonen dat het bijzondere van verjaring ten opzichte van rechtsverwerking niet is gelegen in het gevolg van het stilzitten van de crediteur voor de debiteur, maar in de aard van dat stilzitten. Zouden wij de hierboven besproken zaken beoordelen naar het gevolg van het stilzitten van de crediteur voor de debiteur, dan treedt geen verschil aan de dag: steeds is de debiteur er op gaan vertrouwen niet meer te worden aangesproken en/of is door het tijdsverloop zijn positie ondergraven. Aldus lijken alle zaken problematisch in het kader van de verhouding tussen verjaring en rechtsverwerking. Oordelen wij daarentegen op basis van de aard van het stilzitten van de crediteur, dan blijkt wél onderscheid mogelijk te zijn.
Niet alleen heb ik bepleit dát onderscheid mogelijk is, ik heb ook getracht aannemelijk te maken welk soort stilzitten het rechtsverwerkingsoordeel wel, en welk soort stilzitten het rechtsverwerkingsoordeel niet zou kunnen dragen. Dat leverde het volgende op.
Ten eerste zijn er de gevallen waarin de crediteur 'zijn momentum mist'. Die gevallen zijn in het kader van het thema rechtsverwerking/verjaring eigenlijk niet problematisch, omdat substantieel tijdsverloop geen dragende factor is geweest voor het rechtsverwerkingsoordeel. Het is met andere woorden voor de vaste verjaringstermijn niet bedreigend als hier rechtsverwerking wordt aangenomen.
Ten tweede zijn er gevallen waarin de crediteur niet direct had hoeven ageren en zich verder geen ontwikkeling anders dan substantieel tijdsverloop heeft voorgedaan. Die gevallen zijn welbeschouwd ook niet problematisch: hier behoort in de toekomst geen rechtsverwerking meer te worden aangenomen. Voor zover ik heb kunnen nagaan is dat overigens onder het nieuwe verjaringsrecht ook nog niet gebeurd.
Ten derde zijn er gevallen waarin er geen jong, scherp moment aanwijsbaar is waarop de crediteur had moeten ageren, er substantieel tijd verstrijkt en zich vervolgens tussen partijen een vorm van contact voordoet die (een van) de gronden die rechtsverwerking rechtvaardigen, versneld doet intreden. In die casus moet de rechter beoordelen of de 'versnelling' die het contact bewerkstelligt, met name valt hier te denken aan het vertrouwen dat geen nakoming meer wordt gevorderd, voldoende substantieel is om het rechtsverwerkingsoordeel te kunnen dragen. Meer dan dat de rechter terughoudend moet zijn, valt over die toets op voorhand niet te zeggen.