Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/1223
Doodslag op Rotterdamse motoragent. Toekenning vordering vergoeding affectieschade op de grond dat de benadeelde partij een ‘naaste’ was van de overledene als bedoeld in artikel 6:108, vierde lid, onderdeel g, BW, is niet toereikend gemotiveerd.
HR 11-11-2025, ECLI:NL:HR:2025:1619
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11 november 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
24/02936
- Conclusie
A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1619, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑11‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:856, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑08‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑03‑2025
- Wetingang
Art. 6:107, 6:108 BW; art. 51f Sv
Essentie
Doodslag op Rotterdamse motoragent. In hoger beroep is onder meer gevorderd affectieschade te vergoeden op grond van artikel 6:108, vierde lid, onderdeel g, BW. Ter onderbouwing is uiteengezet dat de benadeelde partij een zeer hechte LAT-relatie had met de overledene. De toewijzing van deze vordering door het hof is onvoldoende gemotiveerd.
Samenvatting
Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij niet als levensgezel in de zin van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder b BW kan worden beschouwd, omdat zij niet duurzaam met het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde, maar dat zij wel ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.