Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.8.2
27.8.2 Het eerste type; de crediteur miste zijn `momentum ' door niet op korte termijn te ageren
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365309:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Sterk vergelijkbaar met dit arrest is HR 25 mei 1990, NJ 1990, 579 (Van B a.ar/Dommelsche Bierbrouwerij), waarin het beroep op dwaling verwerkt werd geacht omdat de huurder de vermeende dwalingsgrond — te hoge huur — al in 1980 kende en hij vervolgens nog twee jaar doorging met betaling van de overeengekomen huur. De verhuurder kwam gedurende die twee jaar gewoon na, hetgeen zij 'niet zou hebben gedaan indien zij had geweten dat de totstandkoming van die overeenkomst (en dus ook het bestaan van uit die overeenkomst voor de wederpartij voortvloeiende verplichtingen) door die wederpartij op grond van dwaling werd betwist.' (r.o. 3).
Zie Konijn SR 2001, p. 201, 1.k. Zij schrijft wat mij betreft terecht, na haar bezwaar tegen Oosterboelc/Nelcami te hebben geformuleerd: 'Slechts in het geval waarin de werknemer weet dat de loonberekening niet klopt, stelselmatig nalaat om daartegen te protesteren en de werkgever verder uit zijn gedragingen mag afleiden dat hij instemt met de loonberekening vervalt een vordering nog binnen de verjaringstermijn. '
Zie over deze bepalingen en de gedachten waarop zij stoelen 1-11( 29 juni 2007, RvdW 2007, 634 en 1-11( 29 juni 2007, RvdW 2007, 636. Zie voorts Tjittes, Themis 2007, p. 15-25 met nadere vindplaatsen.
Als het stilzitten gebeurt op een moment dat voor partijen 'sprekend' is, kan dat rechtsverwerking opleveren. Meer valt er op voorhand niet over te zeggen. Bedacht zij dat elders in het recht die 'nee, tenzij-benadering' ten aanzien van stilzitten ook niet wordt gebezigd. Zo is onbetwist dat men rechtshandelingen kan verrichten, zelfs overeenkomsten kan aangaan, door louter stil te zitten.
Thans lijken beide zegswijzen uitwisselbaar te worden geacht. Zie bijvoorbeeld de Conclusie voor BR 29 september 1995, NJ 1996, 89, sub 7: 'Onbetwist in rechtspraak en literatuur is voorts dat enkel tijdsverloop c.q. louter stilzitten niet voldoende is voor rechtsverwerking'.
Ten eerste is er dus het type waarin de discussie zich toespitst op het stilzitten van de crediteur kort nadat hij van de vordering kennis krijgt of had moeten krijgen. De rechter oordeelt in die gevallen dat de crediteur door tóen stil te zitten, zijn recht heeft verwerkt. Er verstrijkt daarna nog wel tijd, maar in feite is daarvoor het kwaad voor de crediteur al geschied; hij heeft een vroeg, geëigend moment om te ageren onbenut gelaten en heeft dus tóen zijn recht verwerkt. We zouden kunnen spreken van een `gemist momentum'. Vier voorbeelden.
HR 24 september 1999 (Bleij/Stegman). Bleij vordert bij dagvaarding van 31 januari 1996 niet betaald overwerk over de periode 1992 tot en met 1995. Hij heeft tegen het niet uitbetalen van het overwerk aanvankelijk niet geprotesteerd, maar is in de litigieuze periode wel veel overwerk blijven verrichten. De Rechtbank oordeelt dat sprake is van rechtsverwerking omdat Bleij "steeds genoegen heeft genomen met uitbetaling van loon zonder overuren en niettemin zeer veel overuren is blijven maken." Als, zo begrijp ik het vonnis, de werkgever die overuren wel zou moeten betalen, zou hij kunnen besluiten die overuren niet te laten verrichten. Bleij heeft Stegman die keuzevrijheid ontnomen door niet te protesteren binnen bekwame tijd nadat hem duidelijk werd dat hij zijn overuren niet betaald kreeg. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.1
HR 5 april 1968 (pekingeenden): De leveranties vonden plaats in de periode 24 april — 27 september 1960. De leverancier protesteerde 5 maanden na de laatste aflevering tegen de kortingen. Omdat, aldus het Hof, "slechts korte tijd mogelijk was een onderzoek naar de kwaliteit van het geleverde in te stellen of te doen instellen" diende de leverancier "zo spoedig mogelijk" nadat hij van de korting op de hoogte was gesteld, daartegen zijn bezwaren kenbaar te maken. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
HR 29 december 1995 (Slee/Rabobank). Slee heeft bij dagvaarding van oktober 1988 een aantal vorderingen ingesteld tegen de Rabobank terzake van het vermeend onrechtmatig opzeggen van aan hem verleende kredieten in februari 1984 — ruim vier jaar eerder dus. Het Hof honoreert het beroep van de Rabobank op rechtsverwerking, omdat Slee zich, kort gezegd, aanvankelijk niet tegen de opzegging verzet heeft. De Hoge Raad overweegt te dien aanzien: "Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat Slee door zijn jegens de Bank ingenomen houding bij de Bank het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij de rechtsgeldigheid van de opzegging niet zou aanvechten." Volgt verwerping van het cassatieberoep.
HR 8 december 1989 (Oosterboek/Nekami). Het dienstverband van Oosterbroek is per 1 januari 1985 beëindigd. Oosterbroek verzoekt bij verzoekschrift van december 1985 achterstallig salaris over de afgelopen vijf jaar; hij zou te weinig betaald hebben gekregen. De discussie over de hoogte van zijn salaris is niet nieuw. In 1975 al had Oosterbroek bezwaren geuit. Mede naar aanleiding daarvan was in 1976 een fundamentele wijziging in de berekening van zijn salaris doorgevoerd. De Rechtbank oordeelt dat Oosterboek zijn recht heeft verwerkt daar hij
"telkens 'op cruciale momenten' [heeft] stil gezeten — ook nog tijdens een in januari 1983 op zijn voorstel overeengekomen afvloeiingsregeling uitgaande van doorbetaling van zijn salaris op het uitbetaalde niveau — en (...) daardoor bij Nekami de indruk [heeft] gewekt dat de uitbetaalde bedragen ook volgens hem juist waren."
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
Tot zover de eerste categorie van gevallen. Het lijkt eigenlijk buiten twijfel te staan dat in deze categorie het tijdsverloop geen dragend motief is geweest voor het aannemen van rechtsverwerking. Er was een min of meer aangewezen, scherp moment om te ageren, toen zat de crediteur stil, dus is het in srijd met de redelijkheid en billijkheid als hij zich daarna alsnog op zijn recht te beroept.
Wij zouden de eerste categorie zaken dus eigenlijk gewone rechtsverwerkingszaken kunnen noemen, vermomd als grensgevallen tussen verjaring en rechtsverwerking; doordat zij nu eenmaal de ingrediënten stilzitten + tijdsverloop bevatten lijken zij op het eerste gezicht over ons dilemma te gaan, maar bij nadere beschouwing blijkt dat niet waar. De zaak is in feite na gering tijdsverloop beslist.
Daarmee zijn zij niet onproblematisch: natuurlijk kan men over de vraag wanneer dan het stilzitten op enig bepaald moment tot rechtsverwerking leidt, van mening verschillen. Een goed voorbeeld biedt HR 8 december 1989 (Oosterboek/Nekami); de rechtbank oordeelde dat Oosterbroek telkens op "cruciale momenten" had stilgezeten, en hij daarom zijn recht had verwerkt. De Hoge Raad liet dat oordeel in stand, maar door de A-G en later in de literatuur is naar ik meen overtuigend beargumenteerd dat dit anders had gemoeten: niet vast stond dat Oosterbroek wist dat hij te weinig betaald kreeg en een onderzoeksplicht van de werknemer naar de juistheid van zijn salaris kan niet worden aangenomen.2
Maar wat daarvan ook zij, áls men eenmaal aanneemt dat de werknemer had moeten ageren, dan is de discussie beslecht en doet het nadere tijdsverloop niet meer terzake. Mogelijk problematisch dus, maar niet voor zover het het onderscheid rechtsverwerking/verjaring betreft.
Ter beantwoording van de vraag of op een vroeg moment de obliegenheit bestaat te ageren, kan inspiratie worden gezocht in tekst en ratio van de art. 6:89 en 7:23 BW.3 Mijn indruk is dat Huydecooper dat ook bedoelt waar hij in zijn Conclusie voor HR 21 juni 2002 schrijft:
"In veel gevallen eisen de behoeften van het rechtsverkeer, dat aanspraken op "bekwame" termijn geldend worden gemaakt, of tenminste worden aangemeld; en geldt in het verlengde daarvan dat het geldend maken van zo'n aanspraak ongeoorloofd kan zijn als de betreffende termijn wordt veronachtzaamd. De regels van art. 6:89 BW en van art. 7:23 BW berusten kennelijk op deze verkeersbehoefte (...). In een enigszins andere benadering kan het, in bepaalde rechtsverhoudingen, zo zijn dat de zorgvuldigheid die partijen jegens elkaar in acht moeten nemen, meebrengt dat men aanspraken voortvarend geldend moet maken of moet aanmelden. Waar een dergelijke zorgvuldigheidsverplichting moet worden aangenomen, kan het niet naleven daarvan een grond voor, o.a., rechtsverwerking opleveren."
Tot slot van deze paragraaf verdient wellicht opmerking dat de gevleugelde woorden "louter stilzitten is voor rechtsverwerking onvoldoende" niet zo gelukkig zijn: afhankelijk van de omstandigheden kan louter stilzitten heel goed genoeg zijn voor rechtsverwerking. De suggestie dat er een soort normaaltoestand bestaat waarin stilzitten geen rechtsverwerking oplevert, en het nogal bijzonder moet lopen wil dat anders zijn, lijkt mij onjuist.4 Te prefereren is "louter tijdsverloop is voor rechtsverwerking onvoldoende";5 die uitdrukking zegt natuurlijk lang nog niet alles, maar zet het denken wel op het goede spoor.