Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.8.3
27.8.3 Het tweede type; tijdsverloop op zichzelf staat centraal
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364086:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijkbare hofarresten zijn Hof Amsterdam 15 april 1999 (Ravesteijn/De Amersfoortse), waarin de verzekerde ruim negen jaar nadat zijn aanspraak is afgewezen alsnog aanspraak doet op uitkering krachtens verzekering en Hof Arnhem 25 juni 2002 (niet gepubliceerd), waarin een weduwe 24 jaar wacht met het instellen van een vordering wegens een vermeende medische fout bij de behandeling van haar man. Zie voorts Rechtbank Amsterdam 8 juni 1994, NJ1995, 458 (bijstandsverhaal), waarin de de Gemeente acht jaar wachtte met haar onderzoek tot bijstandsverhaal. Steeds werd rechtsverwerking aangenomen.
Zie bijvoorbeeld het voomoemde Derksen/Hoffmans: '— het feit dat in 1984 — 23 jaren na het ongeval —, en a fortiori ook thans, niet meer kon/kan worden achterhaald wie de WA-verzekeraar van Hoffmans was, terwijl begrijpelijk en niet onredelijk is dat Hoffmans na zo lange tijd niet meer wist bij wie hij verzekerd was en ook geen polissen of andere bewijsstukken dienaangaande onder zich had (zie r.o. 3.k van dit arrest); — het feit dat ook bewijsmateriaal hoegenaamd niet meer te achterhalen is (zie r.o. 7 van het tussenarrest in verband met de vage uitlating van Derksen ter comparitie, waarna geen verdere gegevens boven tafel zijn gekomen; zie r.o. 3.e van dit arrest); — het feit dat, naar valt aan te nemen, Hoffmans, indien tijdig aanspraak was gemaakt op schadevergoeding, eventuele bedragen welke hij aan Derksen zou hebben moeten betalen op zijn verzekeraar zou hebben kunnen verhalen en zulks thans niet meer mogelijk is.'
R.o. 3.4.2. Ik laat hier buiten beschouwing een andere kwestie die in het arrest speelde, namelijk de vraag of er op de Nederlandse Antillen een rechtsbeginsel bestaat inhoudende dat het jegens de debiteur onredelijk is lang te wachten met het incasseren van dwangsommen. Het antwoord van de Hoge Raad is overigens ontkennend.
Tot zover de voorbeelden waarin de crediteur stilzat, terwijl het gegeven de omstandigheden voor de hand had gelegen dat hij op enig min of meer specifiek moment wel had geageerd. Nu dan de zaken waarin het tijdsverloop op zichzelf centraal lijkt te staan.
HR 29 november 1996 (Derksen/Hoffinans).1Derksen is in 1961 door Hoffmans aangereden. In 1985, 24 jaar later dus, heeft Derksen Hoffmans voor het eerst na het ongeval gesproken. In februari 1990 heeft Derksen Hoffmans aansprakelijk gesteld. Zowel in feitelijke instanties als door de Hoge Raad is geoordeeld dat sprake is van rechtsverwerking.
HR 30 mei 1997 (Beelen/Joldersma)2 is in essentie hetzelfde:3 hier verstrijkt 14 jaar tussen het ongeval en de aansprakelijkstelling. Opnieuw kan het aanvankelijke stilzitten niet als rechtsverwerking worden aangemerkt en leunt dus opnieuw het rechtsverwerkingsoordeel in feite op het tijdsverloop.
HR 26 september 19974 betreft het eerder besproken geval waarin een patiënt na de afloop van een medische tuchtprocedure ruim elf en een half jaar heeft gewacht met het instellen van een civiele vordering. In alle instanties wordt geoordeeld dat hier sprake is van rechtsverwerking omdat bij de arts het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat hij niet meer zou worden aangesproken.
Dit type zaken heeft twee belangrijke eigenschappen gemeen. Ten eerste: niet gezegd kan worden dat de crediteur zijn recht verwerkte door niet op min of meer korte termijn nadat hij dat had gekund, te ageren. Het aanvankelijke stilzitten van de crediteur in de periode kort na het litigieuze evenement lijkt mij geen grond voor rechtsverwerking te hebben opgeleverd. Het niet spoedig instellen van, bijvoorbeeld, een vordering tot schadevergoeding is, in termen van het opwekken van vertrouwen of het veroorzaken van nadeel bij de debiteur, van een geheel andere orde dan, bijvoorbeeld, het verrichten van overwerk in de wetenschap dat de werkgever dat wellicht niet zou laten verrichten als hij wist dat hij daarvoor zou moeten betalen. Hetzelfde is ook langs een heel andere weg te zeggen: als wij het niet instellen van een vordering binnen tamelijk korte tijd na het ongeval als rechtsverwerking zouden beschouwen, is in feite het gehele verjaringsrecht buiten spel gezet. Verjaring gaat immers uit van het stilzitten gedurende de verjaringstermijn.
De tweede belangrijke gemeenschappelijk eigenschap is dat tussen 'moment nul', en het uiteindelijke moment van vorderen, tussen partijen geen contact heeft bestaan. Er is dus geen course of dealing geweest in de context waarvan het stilzitten een specifieke betekenis kreeg. Het enige wat er gebeurde, was dat zich een reeks feiten voordeed die zich bij substantieel tijdverloop bijna steeds voordoen.5 Die feiten hebben, gegeven de constatering dat het aanvankelijke stilzitten niet als rechtsverwerking kan worden aangemerkt, het rechtsverwerkingsoordeel gedragen.
Vanwege de combinatie van deze twee eigenschappen — het aanvankelijke stilzitten is geen rechtsverwerking en nader contact is er niet geweest — zouden onder het huidige verjaringsrecht alle genoemde arresten onjuist zijn (anders dan onder het oude verjaringsrecht, waar de te lange dertigjaarstermijn het aanwenden van rechtsverwerking bij louter tijdsverloop noodzakelijk maakte). Er is een evenement, en de vraag is of de crediteur zijn recht verwerkt door niet binnen min of meer korte tijd te ageren. Het antwoord luidt ontkennend. Om dan vervolgens toch nog tot het oordeel te komen dat wél sprake is van rechtsverwerking, moet zich daarna een 'meer betekenende' ontwikkeling hebben voorgedaan dan louter tijdsverloop — een ontwikkeling dus, die het vertrouwen dat de crediteur niet meer zal vorderen sneller doet toenemen of die de positie van de debiteur sneller ondergraaft dan het tijdsverloop op zichzelf. Een dergelijke ontwikkeling laat zich lastig verzinnen als tussen partijen geen contact meer bestaat.
Maar het is als gezegd: deze rechtspraak is van een voorbije tijd. De druk die de rechter vroeger voelde om rechtsverwerking op grond van louter tijdsverloop te aanvaarden, is met de komst van de subjectieve vijf] aarstermijn drastisch verlaagd. In dit verband spreekt dat in niet één van de genoemde zaken speelde onder het nieuwe verjaringsrecht. Ik heb gezocht naar zaken waarin de rechter onder het nieuwe verjaringsrecht louter tijdsverloop voor rechtsverwerking onvoldoende achtte, maar heb die niet gevonden.
Wél minder dan vijf jaar verstreek in het tamelijk recente HR 11 juli 2003;6 Brown wachtte vier jaar met het innen van dwangsommen bij Sloot. Sloot voert aan dat Brown hem had moeten waarschuwen dat zij zich op het standpunt bleef stellen dat dwangsommen verbeurd waren, en dat zij haar recht had verwerkt door dat niet te doen. Wat mij betreft heel adequaat overweegt de Hoge Raad:
"(...) dat niet kan worden gezegd dat Brown jegens Sloot afstand van recht op incasso van de dwangsommen heeft gedaan. Bijkomende omstandigheden die grondslag zouden kunnen bieden voor het oordeel dat Sloot desondanks erop mocht vertrouwen dat Brown van haar aanspraken zou afzien, heeft het Hof niet vermeld. Tijdsverloop alleen kan niet als grondslag voor het aannemen van rechtsverwerking dienen."7
Als dit de koers is die de Hoge Raad onder het nieuwe verjaringsrecht vaart in geval van, werkelijk, 'louter tijdsverloop', hoeven wij voor afbrokkeling van de vijfjaarstermijn niet bevreesd te zijn — met dien verstande natuurlijk dat wij niet weten wat de Hoge Raad had beslist als het Hof zijn oordeel had gebaseerd op 'vertrouwen' of 'benadeling van positie'; het Hof heeft eenvoudig geen omstandigheden vermeld.