Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.2.1
7.2.1 Welke rechters beslissen over voorlopige hechtenis van minderjarigen?
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit is opvallend, daar artikel 492 Sv voorschrijft dat het de kinderrechter is die inzake de toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen optreedt als rechter-commissaris. Bij deze rechtbanken zijn alle rechters-commissarissen van het Kabinet RC echter formeel ook aangewezen als ‘kinderrechter ’ (vgl. artikel 53 Wet RO).
Voorgeleiding 11. Zie over het LIJ: paragrafen 8.4 en 8.5.
Interview raadkamerrechter T.
Voorgeleiding 27; Raadkamerzitting 34; Raadkamerzitting 75; Raadkamerzitting 85; Raadkamerzitting 98.
Interview rechter-commissaris L.
De Nederlandse wet schrijft voor dat de rechter-commissaris beslist over de inbewaringstelling en de raadkamer beslist over de gevangenhouding van een verdachte (art. 63, eerste lid Sv en art. 65, eerste lid Sv), waarbij het in jeugdzaken de kinderrechter is die optreedt als rechter-commissaris (art. 492 Sv). In de praktijk zijn er evenwel verschillen tussen rechtbanken als het gaat om de (teams van) rechters die zijn aangewezen om de voorgeleidingen en raadkamerzittingen van minderjarigen te behandelen. Zo is bij twee van de onderzochte rechtbanken een vaste ‘kinderrechter-commissaris’ aangesteld die is belast met (vrijwel) alle voorgeleidingen van minderjarigen. Deze kinderrechter-commissaris maakt binnen de betreffende rechtbanken geen deel uit van het reguliere ‘Kabinet RC’, maar van het team ‘Familie- en Jeugdrecht’ bestaande uit gespecialiseerde kinderrechters die verantwoordelijk zijn voor alle civiele en strafrechtelijke jeugdzaken. Bij een andere onderzochte rechtbank is geen vaste kinderrechter-commissaris aangesteld, maar treden alle kinderrechters van het team ‘Jeugdrecht’ op als rechter-commissaris bij voorgeleidingen van minderjarigen. Bij weer twee andere onderzochte rechtbanken worden de voorgeleidingen van minderjarigen behandeld door rechters-commissarissen van het reguliere Kabinet RC die ook zijn belast met de voorgeleidingen van volwassenen.1
Soortgelijke verschillen zijn ook zichtbaar bij de rechters die raadkamerzittingen van minderjarigen behandelen. Bij drie van de onderzochte rechtbanken bestaat de meervoudige raadkamer uit drie gespecialiseerde kinderrechters uit het team ‘Familie- en Jeugdrecht (en BOPZ)’, waaronder zo nu en dan een gespecialiseerde kinderrechter-plaatsvervanger. Bij één van de onderzochte rechtbanken wordt de meervoudige raadkamerzitting van minderjarigen voorgezeten door een kinderrechter van team ‘Jeugdrecht’ die wordt vergezeld door twee raadkamerrechters van het team ‘Strafrecht’ die in hun dagelijkse praktijk vooral belast zijn met strafzaken van volwassenen. Bij een andere onderzochte rechtbank valt de raadkamerzitting van minderjarigen zelfs volledig onder de verantwoordelijkheid van het team ‘Strafrecht’. Niettemin geldt ook bij deze rechtbank dat bij minderjarigen (doorgaans) een ervaren en gespecialiseerde kinderrechter optreedt als voorzitter van de meervoudige raadkamer, die voor het overige bestaat uit twee rechters die in hun dagelijkse praktijk voornamelijk strafzaken van volwassenen behandelen. Verlengingen van de gevangenhouding van een minderjarige worden bij vier van de vijf onderzochte rechtbanken door een enkelvoudige raadkamer behandeld, waarbij steeds een gespecialiseerde kinderrechter optreedt als raadkamerrechter. Bij één van de onderzochte rechtbanken worden de verlengingen van de gevangenhouding in jeugdzaken behandeld door een meervoudige raadkamer, die volledig bestaat uit gespecialiseerde kinderrechters.
Het onderhavige onderzoek beoogt geen vergelijking van rechtbanken en richt zich niet specifiek op de vraag welke rechters ‘geschikt’ zijn om voorgeleidingen en raadkamerzittingen van minderjarigen te behandelen. In dit verband wordt volstaan met twee signaleringen die voortkomen uit de observaties van voorgeleidingen en raadkamerzittingen en de interviews met rechters. Een eerste signalering heeft betrekking op het specifieke werkveld van het jeugdstrafrecht, waarin een veelheid aan instanties en professionals actief is, een veelheid aan jeugdspecifieke interventies en behandelingen wordt aangeboden en uitvoerig wordt gerapporteerd. Tijdens de observaties en interviews is af en toe naar voren gekomen dat dit werkveld voor rechters die in hun dagelijkse praktijk voornamelijk strafzaken van volwassenen en vrijwel geen jeugdzaken doen niet altijd helemaal is te overzien. Zo moest een rechter-commissaris tijdens een voorgeleiding van een minderjarige aan de vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming vragen wat het “LIJ” (Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtsketen) inhoudt, omdat hij er nooit eerder van had gehoord.2 Ook erkent een raadkamerrechter, die in zijn dagelijkse praktijk primair is belast met strafzaken van volwassenen, tijdens een interview dat hij het lastig vindt om in jeugdzaken in de raadkamer plaats te nemen, omdat hij naar zijn idee (te) weinig kennis heeft van het werkveld.
“Ik vind dat wel lastig, ja. Daarom vind ik het ook goed dat er jeugdteams zijn [bij sommige rechtbanken, YB]. Ook in de bevraging van de jeugdreclassering: je bent natuurlijk veel effectiever in je bevraging als je goed weet hoe het veld eruit ziet en wat de mogelijkheden zijn. Dan kan je ook vragen: heb je ook daar aan gedacht of daar aan gedacht? Dan kan je die informatie ook krijgen van de jeugdreclassering en dan kan je dat ook weer meewegen. Maar als je die vragen niet weet te stellen, dan ben je eigenlijk wel beperkt. Dat is eigenlijk niet goed. Maar bij ons is het wel zo dat degene die de raadkamers van jeugd meestal voorzit deze expertise wel heeft.”3
Een tweede signalering heeft betrekking op de samenhang tussen het jeugdstrafrecht en het civiele jeugdbeschermingsrecht. Tijdens het observatieonderzoek zijn een ‘combi-voorgeleiding’ en een viertal ‘combi-raadkamerzittingen’ bijgewoond, waarbij zowel de vordering van de officier van justitie tot voorlopige hechtenis als een (spoed)verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot (voorlopige) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing werden behandeld.4 Deze combi-zittingen vonden steeds plaats bij rechtbanken waar kinderrechters van team ‘Familie- en Jeugdrecht’ verantwoordelijk zijn voor zowel de strafrechtelijke voorgeleidingen en/of raadkamerzittingen van minderjarigen als de civielrechtelijke jeugdbeschermingszaken. Tijdens een interview geeft een kinderrechter-commissaris aan dat hij het vanwege de nauwe samenhang tussen het jeugdstrafrecht en het civiele jeugdbeschermingsrecht belangrijk vindt dat voorgeleidingen en raadkamerzittingen van minderjarigen worden behandeld door rechters die niet alleen kennis hebben van het (jeugd)strafrecht, maar ook van het civiele jeugdbeschermingsrecht.
“Nou dat ik vind dat jeugdzaken ook door rechters moeten worden gedaan die ook weten hoe dat hele OTS-wereldje werkt. Dat je ook beschikbaar bent als de Raad opeens een kinderbeschermingsmaatregel vraagt. Of als een hulpverlener vraagt om een machtiging uithuisplaatsing. Dat je dan niet moet zeggen: ‘dat moet je bij de kinderrechter gaan vragen’. Dus dat je dat gewoon direct kunt beslissen. Ook op mondelinge verzoeken. Je moet heel praktisch zijn.”5
Dit gezegd hebbende, zal in het vervolg van dit hoofdstuk en in de volgende hoofdstukken bij de verdere bespreking van de bevindingen van het praktijkonderzoek geen differentiatie worden gemaakt tussen de rechters die in dit onderzoek zijn betrokken, behoudens het onderscheid tussen rechterscommissarissen en raadkamerrechters.