Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.2.4.4
28.2.4.4 De verlengende werking van onderhandelingen
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364090:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Brunner, De Jong (2004), nr. 303.
Opvallend is in de redenering van de President dat 'mag worden aangenomen dat partijen zich van de termijn bewust zijn geweest'; vanwaar die opmerking als de afstand inderdaad uit de stukken te kennen valt? Bovendien is naar de heersende opvatting afstand van een vervaltermijn helemaal niet mogelijk; hadden partijen deze kwestie werkelijk met een scherp rechtsbewustzijn onder ogen gezien, dan had de onderhandelaar namens de crediteur met de enkele afstand geen genoegen kunnen nemen.
Zie § 17.8.
Overigens stond de kwestie van, toen, strijd met de goede trouw hier niet echt op scherp, omdat de ratio van de vervaltermijn wat mij betreft inderdaad eist dat de geadresseerde zélf protesteert. Alleen de geadresseerde heeft een rechtsvordering, dus moet de debiteur van hém weten wat hij van plan is; dat zo zijnde hebben uitingen van derden geen betekenis. Recht toe recht aan toepassing van de verdragsregel leidde dus tot het 'juiste resultaat'.
Convention for the Unification of Certain Rules for International Carriage by Air (Montreal, 28 May 1999); dit is de opvolger van het verdrag van Warschau.
Zo meent ook Diederiks-Verschoor (2001), p. 163: '(...) grounds for suspension and interruption will be determined by the law of the court trying the case.'
Inleiding
Het lijkt goed om bij het denken over de verlengende werking van onderhandelingen drie soorten vervaltermijnen te onderscheiden. Ten eerste is er het soort vervaltermijn waar de vraag naar de stuitende werking van onderhandelingen niet zo gemakkelijk voorstelbaar is, doordat met het enkele voeren van onderhandelingen de facto aan de voorwaarde voor afwending van verval zal zijn voldaan. Bijvoorbeeld: als koper en verkoper onderhandelen, of, liever gezegd, in debat zijn over de kwaliteit van het afgeleverde, dan is min of meer gegeven dat de koper heeft voldaan aan zijn verplichting mededeling te doen van het gebrek. Hetzelfde geldt voor art. 6:89 BW. Dat type termijn is daardoor in praktische zin van het debat over de verlengende werking van onderhandelingen uitgesloten.
Ten tweede en ten derde moet onderscheiden worden, zoals hiervoor ook steeds gebeurde, tussen enerzijds vervaltermijnen die zien op bevoegdheden, dus op rechten waarvan de verwezenlijking in de macht van de crediteur ligt en, anderzijds, tussen rechten voor de verwezenlijking waarvan de crediteur afhankelijk is van de debiteur. Over deze twee typen termijnen het volgende.
Vervaltermijnen die zien op bevoegdheden
Wat de termijnen die zien op bevoegdheden betreft dringt zich de volgende gedachte op: wat doet de vraag naar de verlengende werking van onderhandelingen er toe als de crediteur de uitoefening van zijn recht zelf in de hand heeft? Dat de debiteur het met de uitoefening van het recht niet eens is, staat aan de verwezenlijking van het recht niet in de weg; in feite valt er helemaal niets te onderhandelen.
In strikte zin is dat natuurlijk juist, maar de werkelijkheid kan gecompliceerder zijn, in die zin dat de onderhandeling over de rechtsverhouding in haar geheel het onvoorwaardelijke beroep op bevoegdheid op enig moment niet opportuun kunnen doen zijn. Dat kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, om allerlei redenen zo zijn. Denk aan de bevoegdheid ofwel een rechtshandeling buitengerechtelijk te vernietigen, ofwel een overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden — uitoefening van die vergaande bevoegdheden kan in het kader van onderhandelingen over de oplossing van het geschil, als partijen zich dus juist inspannen om tot een minnelijke regeling te komen, uitgesproken ongewenst zijn.
Het lijkt mij denkbaar dat onder dergelijke omstandigheden een beroep op de vervaltermijn door de debiteur in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Zo ook in HR 29 april 1983,1 waar de huurder te kennen had gegeven te willen opzeggen, maar partijen nog in onderhandeling waren over de voorwaarden waaronder. De formele opzegging vond uiteindelijk plaats na het verstrijken van de vervaltermijn. De rechtbank oordeelde het beroep op de vervaltermijn van de verhuurder in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad liet dat oordeel in stand. Het cassatiemiddel strekte ten betoge dat de verhuurder er zich slechts dan niet op vermag te beroepen dat de huurder de wettelijk voorgeschreven opzegtermijn niet in acht genomen heeft, indien partijen "bij nadere overeenkomst over en weer zouden hebben afgezien van de wettelijk voorgeschreven opzegging, dan wel een beëindigingovereenkomst zouden hebben gesloten". De Hoge Raad overweegt:
"Dit betoog vindt (...) geen steun in het recht. Dat de in acht te nemen opzegtermijn mede in het belang van de verhuurder in de wet dwingend is vastgesteld, sluit niet uit dat een huurder, die deze termijn niet in acht heeft genomen, aan de verhuurder, die zich daarop beroept, vermag tegen te werpen dat dit beroep onder de gegeven omstandigheden in strijd is met de goede trouw. Het betekent wel dat voor het als juist aanvaarden van die tegenwerping zware eisen moeten worden gesteld, maar dat heeft de Rb. (...) niet miskend."
Ik zou, mede op basis van dit arrest, het volgende willen verdedigen. Als het gaat om (i) een vervaltermijn die ziet op rechten waarvan de verwezenlijking geheel in de macht van de crediteur ligt, (ii) de crediteur, omdát hij in onderhandelingen verkeert, dat recht niet voor ommekomst van de termijn inroept en (iii) de debiteur redelijkerwijze moet verwachten dat de crediteur dat recht wel zal willen inroepen als de onderhandelingen niet tot een minnelijke oplossing leiden, dan kan het beroep van de debiteur op de vervaltermijn na ommekomst van die termijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn.
Ter toelichting: vereiste (i) geeft het toepassingbereik van de 'regel' weer, vereiste (ii) geeft het belang van de crediteur weer en vereiste (iii) vormt de rechtvaardiging tegenover de debiteur, in die zin dat de bedoelde wetenschap voor hem de nadelen van het tijdsverloop ecarteert. Ik schrijf ten slotte kan in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn, omdat zich zoals altijd bij toepassing van dat leerstuk omstandigheden kunnen voordoen die tot een andersluidende conclusie nopen.
Men zou kunnen tegenwerpen dat als de crediteur al weet dat hij bij het mislukken van de onderhandelingen de betrokken bevoegdheid zal willen inroepen, hij er beter aan zou doen de 'verlenging' van de termijn reeds tijdens de onderhandelingen te bedingen. Twee opmerkingen. Ten eerste is niet zeker of een partijafspraak inderdaad vermag de termijn te verlengen, nu vooralsnog de algemene opvatting is dat vóór ommekomst van een termijn van de termijn geen afstand kan worden gedaan. Ten tweede is deze bedenking weliswaar juist in dier voege dat het maken van een afspraak de kans dat de rechter het beroep op de termijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid acht naar mijn inschatting inderdaad vergroot (dus vooralsnog niet garandeert), maar ziet zij eraan voorbij dat soms partijen nu eenmaal niet doen wat voor hen het beste zou zijn geweest, bijvoorbeeld doordat zij de hele kwestie van verval gegeven de onderhandelingssituatie over het hoofd hebben gezien. Ook dan moet het recht de juiste oplossing moet bieden.
Vervaltermijnen die zien op vorderingsrechten
Rechten voor de verwezenlijking waarvan de crediteur afhankelijk is van de debiteur (vorderingsrechten) worden, als gezegd, in de regel beheerst door de verjaring. Om tegen de zin van de debiteur de verwezenlijking van het materiële recht mogelijk te maken, is aan het materiële recht een rechtsvordering gekoppeld. De rechtsvordering verjaart op enig moment, en daarmee de afdwingbaarheid van het materiële recht.
Zoals in de inleiding al werd opgemerkt, worden bij wijze van uitzondering vorderingsrechten soms beheerst door een vervaltermijn en niet door een verjaringstermijn. De grond voor die uitzondering ligt over het algemeen in verdragsrechtelijke verplichtingen.2 Denk bijvoorbeeld aan art. 6:191 BW, dat ingevolge de 'Europese richtlijn inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken' bepaalt dat een recht op schadevergoeding tegen de producent vervalt na tien jaar; deze schadevergoedingsvordering zou, had de nationale wetgever de vrije hand gehad, hoogstwaarschijnlijk door een verjaringstermijn beheerst zijn geweest.
Omdat er, voor zover ik in de literatuur heb gelezen of zelf heb kunnen bedenken, binnen de Nederlandse rechtsorde geen inhoudelijke redenen zijn om een vorderingsrecht (via zijn rechtsvordering) niet aan een verjarings- maar aan een vervaltermijn te onderwerpen, ligt het voor de hand voor de werking van die vervaltermijnen de analogie met de verjaring te zoeken. Natuurlijk kan het analogisch redeneren beperkingen vinden in internationaal recht — daarover straks meer —, maar een denkrichting bij de uitleg of soms wellicht zelfs beperking van de betrokken regel kan het wel degelijk geven.
Voor de gedachtevorming is wellicht nuttig Rechtbank Haarlem 17 juni 1988.3 Aan de orde was de vervaltermijn van art. 29 Verdrag van Warschau (de betreffende bepaling is thans te vinden in het BW; art. 8:1835), krachtens welke iedere vordering terzake van een overeenkomst van luchtvervoer na twee jaar vervalt. De crediteur erkent "dat de rechtsvordering met betrekking tot de claims, die ouder zijn dan twee jaar, formeel is vervallen" maar bepleit dat een beroep op de vervaltermijn door de debiteur in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. De President oordeelt:
"Gezien het niveau van de onderhandelingen en de bij de onderhandelaars aanwezige kennis van de bepalingen van het Verdrag van Warschau mag worden aangenomen, dat men zich aan beide zijden bewust is geweest van de geldende vervaltermijn en dat deze vervaltermijn niet onbesproken is gebleven.
Mede gelet op de overgelegde verklaring van de onderhandelaars Swildens en Vaandering, die ter zitting niet op overtuigende wijze door Zas is weersproken, acht de Pres. voldoende aannemelijk geworden dat pp. uitdrukkelijk, en vanuit de gedachte dat verder onderhandelen voor hen voordeliger zou zijn, de vervaltermijn terzijde hebben gesteld."
Twee factoren lijken voor de President van belang te zijn geweest, namelijk (i) dat sprake was van onderhandelingen en (ii) dat partijen, om die onderhandelingen voortgang te kunnen laten vinden, afstand van verval zijn overeengekomen. Of inderdaad afstand is gedaan van de vervaltermijn valt uit de afspraak niet af te leiden.4 Laten wij, al dan niet dus bij wijze van gedachte-experiment, veronderstellen dat partijen de afstand niet nadrukkelijk zijn overeengekomen doordat de onderhandelaar van de crediteur, hoezeer ook van goeden huize, in de hitte van de strijd over het hoofd heeft gezien dat de vordering werd bedreigd door een vervaltermijn. Zou dan het beroep op die termijn ook nog in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn geweest?
Mijn antwoord luidt bevestigend, om dezelfde redenen als waarom ik meen dat onderhandelingen stuitende werking van verjaring tot gevolg moeten hebben: onderhandelingen doen de debiteur nadrukkelijk weten dat het de crediteur met de vordering nog menens is; door dat besef zijn de nadelen van tijdsverloop voor de debiteur ondervangen en is er geen reden meer de crediteur zijn vordering te ontnemen — zie uitgebreid hiervoor.5
Nogmaals, uit het betreffende verdrag kan voorvloeien dat de weg die uit nationaal oogpunt de wenselijke lijkt, onbegaanbaar is. In HR 24 april 19926 stond ter beoordeling of een ander dan de geadresseerde binnen de wettelijke termijn kan protesteren tegen beschadiging van bagage of andere zaken door de luchtvervoerder. De Hoge Raad overwoog:
"Art. 26 lid 4 van het Verdrag kent slechts een uitzondering op de gehoudenheid van de geadresseerde tot het doen van protest, te weten het geval van door de vervoerder gepleegd bedrog ("fraude"). In het stelsel van art. 26 is geen plaats voor uit regels van nationaal recht af te leiden uitzonderingen. Het hof heeft het beroep (...) op strijd met de goede trouw dan ook terecht verworpen, wat er zij van de door het hof gebezigde gronden."
Waar het hier om gaat, zijn de woorden "In het stelsel van art. 26 is geen plaats voor uit regels van nationaal recht af te leiden uitzonderingen"; zij illustreren de mogelijke grenzen aan wetstoepassing met een louter nationaal-rechtelijke hand.7
Intussen is het overigens ook mogelijk dat een verdrag wel degelijk ruimte laat voor de nationaal-rechtelijke invalshoek. Soms gebeurt dat zelfs expliciet; over de vervaltermijn van art. 35 van het verdrag van Montreal bijvoorbeeld, geïncorporeerd via ons art. 8:1835 BW, bepaalt het tweede lid van het verdragsartikel:8 "The method of calculating that period shall be determined by the law of the court seized of the case." Alle vrijheid dus voor de Nederlandse rechter om te beslissen wat hem naar Nederlands recht juist lijkt.9
Nadere, specifiekere opmerkingen zijn in het kader van dit boek moeilijk te maken, omdat de `vrijheidsbeperkende' werking van het verdrag van geval tot geval bepaald moet worden; die exercitie zou hier onevenredig veel ruimte nemen.