RvdW 2025/1228:In werking zijnde methamfetaminelabs (chrystal meth) in boerderijen in Friesland en Groningen. Medeplegen bereiden en vervaardigen van methamfetaminel (art. 2 onder B en 2 onder D Opiumwet) en medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. dat feit (art. 10a lid 1 onder 3 jo. art. 10 lid 4 Opiumwet) in Friesland en medeplegen dumpen van afvalstoffen, die vrijkomen bij productieproces van synthetische drugs, in sloot naast drugslab in Groningen (art. 6 lid 2 onder 1 Waterwet (oud)). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten drugslab in Friesland t.a.v. aanwezigheid van verdachte en in nadere bewijsoverwegingen genoemde omstandigheid (verklaring van eigenaar van boerderij). 2. Bewijsklachten drugslab in Groningen t.a.v. wetenschap van verdachte dat er ter plekke afval werd afgevoerd d.m.v. buis naar sloot. Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft bewezenverklaring, anders dan steller van middel tot uitgangspunt neemt, niet slechts gebaseerd op enkele aanwezigheid van verdachte in boerderij in Friesland. Dit betekent dat klacht feitelijke grondslag mist. Hof heeft door verdachte aangedragen alternatief scenario voor zijn aanwezigheid in boerderij in Friesland (om meubels in elkaar te zetten en opzetten van masker omdat het erg stoffig was) als niet aannemelijk terzijde geschoven. Eerste 2 gronden die hof daarvoor noemt, te weten dat verdachte dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd en dat dossier geen aanknopingspunten biedt voor stelling dat er kluswerkzaamheden zijn verricht in woongedeelte van boerderij of dat kasten en meubels in elkaar zijn gezet, kunnen verwerping van dit verweer zelfstandig dragen. Klacht omtrent verklaring van eigenaar van boerderij kan dus hoe dan ook niet tot cassatie leiden. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Verdachte en zijn medeverdachte zijn aangetroffen in werkend drugslab vanuit welk lab via buis het afval van productie direct in naastgelegen watergang werd geloosd. Verdachte heeft aangegeven dat hij eerder in de maand al voor langere periode aanwezig is geweest op deze locatie en uit bewijsvoering blijkt dat verdachte een belangrijke rol had bij het inrichten van lab. Tegen deze achtergrond kon hof oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte op de hoogte was van feit dat via buis het afval van drugsproductie werd geloosd in nabijgelegen water en dat hij zich samen met zijn medeverdachte(n) schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging opzettelijk lozen van stoffen in strijd met art. 6 lid 2 onder 1 Waterwet (oud). Volgt verwerping.