De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.2.4.2:28.2.4.2 De verlengende werking van de daad van rechtsvervolging
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.2.4.2
28.2.4.2 De verlengende werking van de daad van rechtsvervolging
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364095:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stolker, BWKJ 1987, p. 100.
Asser/Hartkamp 4-1, nr. 690; Koopmann, diss., p. 122.
BR 21 oktober 1983, NJ 1984, 804 m.nt. F.H.J.M.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 3:316 BW bepaalt dat de verjaring wordt gestuit door het instellen van een eis of een andere daad van rechtsvervolging. Een dergelijke bepaling is met betrekking tot verval niet te vinden.
De analogische toepassing van deze bepaling op vervaltermijnen die op een bevoegdheid zien, lijkt mij wel min of meer logisch uitgesloten, omdat kenmerkend voor een bevoegdheid nu juist is dat te zijner verwezenlijking geen rechtsvordering nodig is. De vraag of de daad van rechtsvervolging verlengende werking heeft, lijkt mij zich dus nauwelijks te kunnen voordoen. Iets vergelijkbaars geldt voor obliegenheiten.
Dan de door een vervaltermijn beheerste vorderingrechten. Verdedigd is wel dat de daad van rechtsvervolging daar géén verlengende werking heeft.1 Als men de tekst van de bepalingen waarin vervaltermijnen zijn opgenomen letterlijk neemt, is die opvatting begrijpelijk. Er staat, bijvoorbeeld, in art. 6:191 lid 2 BW niet meer dan dat het recht op schadevergoeding "vervalt door verloop van 10 jaren na de aanvang van de dag, volgende op die de producent de zaak (...) in het verkeer heeft gebracht". Over de verlengende werking van een procedure staat niets.
Toch wordt, naar ik meen terecht, de opvatting die verlenging afwijst elders in de literatuur als vanzelfsprekend verworpen.2 Ook de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het entameren van een procedure aan verval in de weg staat.3
"Art. 70 [ABW — JLS] heeft, evenals andere voorschriften die voorzien in vervaltermijnen, deze betekenis, dat de rechtsvordering tot verhaal vervalt als zij niet binnen de gestelde termijn is geldend gemaakt door indiening van het in art. 63 [ABW — JLS] bedoelde verzoekschrift, doch dat, indien zij binnen die termijn is ingesteld, het voorschrift ten opzichte van hem op wie door de indiening van het verzoek verhaal wordt gezocht, is uitgewerkt."
Dat een procedure verlengende werking heeft lijkt mij zonder meer juist, omdat anders bevoegdheden die aan een vervaltermijn onderworpen zijn, veel te gemakkelijk vervallen. Procedures kunnen veel tijd vergen; ik vermoed dat de duur van het gemiddelde geding de meeste vervaltermijnen zelfs overstijgt. Bovendien neutraliseert een procedure het nadelige gevolg van tijdsverloop voor de debiteur, zoals ook de stuitingshandeling daad van rechtsvervolging — net als alle andere stuitingshandelingen — dat bij de verjaring doet.
De Hoge Raad schrijft dat door het aanvangen van een procedure de vervaltermijn "is uitgewerkt". Aldus wordt in feite de verlengende werking in het voorschrift dat voorziet in een vervaltermijn gelezen.