De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.2.4.3:28.2.4.3 De verlengende werking van de erkenning
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.2.4.3
28.2.4.3 De verlengende werking van de erkenning
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366531:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Koopmann diss., p. 121.
Wat de algemene strekking van Koopmanns opmerking betreft: deze lijkt uitsluitend te zijn gebaseerd op de mijns inziens weinig gelukkig passage in de parlementaire geschiedenis die zegt dat er wegens het uiteenlopende karakter van vervaltermijnen geen algemene regels voor verval zijn gegeven, maar vervolgens wel stelt, in het algemeen, dat wat voor verjaring geldt, niet voor verval geldt (zie over deze passage hiervoor, § 28.1.1).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens art. art. 3:318 heeft erkenning stuitende werking. Koopmann verdedigt in haar dissertatie de onmogelijkheid van stuiting van verval in het algemeen en het nietstuiten van de erkenning in het bijzonder als volgt:
"Buiten deze gevallen [die van de wettelijke uitzonderingen op de onmogelijkheid van stuiting — JLS] mogen de regels inzake verjaringstermijnen niet, ook niet via analogie, op vervaltermijnen worden toegepast. (...)
Erkenning van een vordering door de debiteur veroorzaakt dus, anders dan in het geval dat er sprake is van een verjaringstermijn, geen stuiting; als de debiteur niet vóór het verstrijken van de vervaltermijn betaalt loopt de crediteur gevaar dat zijn vordering vervalt."1
Koopmann aanvaardt het verval van recht na erkenning.2 Mijn gedachte zou zijn: de regel die justitiabelen deze streek levert, moet direct geschrapt worden. De debiteur stuurt een briefje waarin staat dat hij het litigieuze bedrag inderdaad verschuldigd is. Twee weken later, als hij nog niet betaald heeft, verstrijkt de vervaltermijn. Het is de debiteur gegeven zijn eigen erkenning volkomen duidelijk dat hij gehouden is te betalen, dus de ondergraving van bewijs- en rechtszekerheidspositie speelt hier per definitie niet. Waarom verval van recht?
Ik vond bij Koopmann geen nadere adstructie van haar opvatting, integendeel zou ik zeggen. Zij schrijft verder: "Wordt tussen partijen (tijdig) een schikking getroffen dan kan mijns inziens de vordering (...) niet meer vervallen. Vergelijk bijv. Rb Rotterdam 4 april 1986 S&S 1987, 118 (...)." Als de schikking het verval en niet slechts verlengt maar zelfs afwendt, waarom zou de erkenning dat dan niet doen?
Waar het bevoegdheden betreft, is het antwoord complexer. Daar is immers het begrip 'erkenning' veel minder helder dan in het kader van vorderingsrechten. In het kader van vorderingsrechten moet het geacht worden te betekenen: ik erken prestatie X aan u verschuldigd te zijn. De debiteur mag er in de regel gevoeglijk vanuit gaan dat de crediteur op prestatie X prijs stelt. Een vergelijkbare vanzelfsprekendheid is er niet als het gaat om een bevoegdheid van de crediteur. Op voorhand staat niet vast óf de crediteur zijn bevoegdheid wil uitoefenen; de debiteur kan wel doen weten dat hij het bestaan van die bevoegdheid erkent, maar met die erkenning is het spel slechts halverwege. Zolang de debiteur van de crediteur geen duidelijkheid krijgt, voelt hij het juist door de vervaltermijn af te wenden nadeel van tijdsverloop, in dit geval met name de rechtsonzekerheid, onverminderd; de vervaltermijn heeft dan dus nog goede zin.
In hoeverre het voorgaande een probleem vormt, hangt af van de aard van de vervaltermijn, van de strekking van de erkenning en van de overige omstandigheden van het geval. Soms zal volkomen duidelijk zijn dat de crediteur zijn bevoegdheid zal willen uitoefenen: de verkoper die zijn klant een briefje stuurt met de mededeling dat hij erkent dat het bij hem gekochte een ernstig gebrek in zich draagt, kan niet verwachten dat die klant vervolgens binnen de redelijke termijn van art. 7:23 BW op zijn beurt aan de verkoper doet weten dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst voldoet; de tegengestelde opvatting is absurd. Een vergelijkbare 'erkenning' laat zich gemakkelijk voor de art. 6:89 en 6:140 lid 3 BW verzinnen.
Maar als de debiteur aan de crediteur schrijft dat deze wat hem betreft de bevoegdheid heeft de overeenkomst te ontbinden, is met die eenzijdige mededeling onvoldoende gezegd om verlenging van de vervaltermijn van art. 6:268 BW te rechtvaardigen; de debiteur weet immers niet of de crediteur die bevoegdheid wil uitoefenen (wel zou men eventueel in deze mededeling de erkenning van de tekortkoming kunnen lezen, maar dat is een ander kwestie). Hetzelfde geldt, bijvoorbeeld, voor erkenning van vernietigbaarheid van een rechtshandeling.
Mijn oplossing zou zijn dat wat wij in het kader van vervaltermijn van de stuitende werking van 'erkenning' willen overnemen, ingang doen vinden via de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid: na erkenning kan een beroep op de verval-termijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn. Het open karakter van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid stelt de rechter in staat bij zijn beslissing rekening te houden met de in de vorige alinea's genoemde factoren en dus, bijvoorbeeld, waar de erkenning nog niets zegt over de keuze van de crediteur om zijn bevoegdheid al dan niet in te roepen, de vervaltermijn gewoon toe te passen en waar het, bijvoorbeeld, de erkenning van het bestaan van een vorderingsrecht betreft, het daarop volgende beroep op de vervaltermijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid te oordelen.
Overigens zou ik er ook geen bezwaar tegen hebben om dezelfde dogmatische route te kiezen als de Hoge Raad deed in het kader van de verlengende werking van een procedure; in plaats van aanwending van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is verdedigbaar dat door, zeg, de mededeling van de verkoper dat zijn zaak een gebrek heeft, de vervaltermijn van 7:23 lid 1 "is uitgewerkt". Zo bezien is het een kwestie van wetsuitleg, in het kader waarvan de rechter de omstandigheden van het geval evenzeer in zijn afweging kan betrekken.