Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.2.4.1
28.2.4.1 Inleiding
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366548:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De enige uitzondering lijkt Van Wassenaer van Catwijck, VR 1986, p. 215: 'Er is echter m.i. geen zinnige reden de stuiting van vervaltermijnen anders te behandelen dan die van verjaringstermijnen (...).'
Die opvatting leeft niet slechts onder studeerkamergeleerden; dat iedere civilist de pointe van de oudere juristengrap 'het verval valt niet te stuiten' begrijpt, geeft wel aan hoezeer een pleidooi dat verval wél valt te stuiten, tegen de haren van de algemene rechtsopvatting instrijkt.
Ten aanzien van stuiting is dus wél begrijpelijk de volgende zin uit de parlementaire geschiedenis 'Wat de regels van vervaltermijnen betreft, deze vloeien in hoofdzaak hieruit voort dat de veij aringsregels niet van toepassing zijn, zodat geen stuiting, verlenging of afstand mogelijk is, (...)'.
Van Brakel (1948), par. 201.
Ik besef dat verlenging ook een vetjaringsrechtelijk begrip is. Mijn inschatting zou zijn dat het toch een neutralere betekenis dan stuiting heeft, mede omdat het woord verlenging meer dan stuiting ook in het gewone spraakgebruik voorkomt.
Bij gebreke van een op vervaltermijnen toegespitste regeling, is uit de wet niet kenbaar of verval kan worden 'gestuit'. Opnieuw is de doctrine ongedifferentieerd en stellig: vervaltermijnen kunnen niet worden gestuit.1,2
Nu is zo op het eerste gezicht het ontbreken van een wettelijke regeling in deze kwestie van een andere betekenis dan in het kader van de 'ambtshalve toetsing' en `afstand van vervaltermijnen', omdat in die laatste gevallen het zwijgen van de wetgever kon worden opgevat als, laat ik zeggen, een door de rechtsontwikkeling in te vullen leemte. Er zijn de algemene concepten ambtshalve toetsing en dwingend recht, en wij moeten kijken of, en zo ja op welke vervaltermijnen die van toepassing zijn. Met stuiting is het anders, in die zin dat stuiting geen algemeen concept is, maar een specifiek ten behoeve van de verjaring in het leven geroepen instituut. Daarom bestaat er bij eerste beschouwing geen reden dat instituut buiten de verjaring toe te passen; stuiting is een onderdeel van het verjaringsregime, en is eenvoudig niet gemaakt voor vervaltermijnen.3
De tegenwerping ligt voor de hand: het mag zo zijn dat stuiting een verjaringsrechtelijk instituut is, de ratio van de stuiting kan wellicht ook in het kader van vervaltermijnen opgeld doen.
Dat analogische redeneren is wellicht verdedigbaar als het gaat om vervaltermijnen die zien op vorderingsrechten, omdat vorderingsrechten in de regel door de verjaring worden beheerst (via de verjaring van hun rechtsvordering) en de aard van het betrokken recht zich niet tegen analogische toepassing van de verjaringsrechtelijke stuitingsregel verzet, integendeel. Maar zoals eerder werd opgemerkt zien vervaltermijnen over het algemeen op bevoegdheden en obliegenheiten; op kwesties dus die geheel in de macht van de crediteur liggen. Daar lijkt het werkelijk analogische redeneren direct spaak te lopen: het ging er bij de stuiting om dat de debiteur weet dat het de crediteur met zijn recht nog ernst is. Die benadering past niet waar de crediteur het in zijn macht heeft zijn recht zonder medewerking van de debiteur te verwezenlijken. Immers, als het hem met zijn recht nog ernst is hoeft hij dat de debiteur niet te vertellen, maar oefent hij zijn bevoegdheid gewoon uit.
Desondanks zal ik hierna de vraag naar 'analogische toepassing' van de verjaringsrechtelijke stuitingsregeling zowel stellen ten aanzien van vervaltermijnen die op een vorderingsrecht zien als ten aanzien van vervaltermijnen die op een bevoegdheid zien. Dat ik ondanks het in de vorige alinea geschrevene toch ook in ga op analogische toepassing bij bevoegdheden, houdt hiermee verband dat daar, zo hoop ik aannemelijk te maken, soms toch ook de ratio van de verjaringsrechtelijke stuiting opgeld kan doen.
Het leek mij het meest overzichtelijk achtereenvolgens de analogische toepassing van alle stuitingswijzen behandelen, te weten art. 3:316 BW (daad van rechtsvervolging), art. 317 BW (schriftelijke mededeling) en art. 3:318 BW (erkenning)) ook zal ik een aparte paragraaf wijden aan de onderhandelingen.
Alvorens daartoe over te gaan nog aandacht voor de algemene afwijzing van de mogelijkheid van stuiting in de doctrine. Ik kan hierover kort zijn, omdat het in feite gaat om een herhaling van zetten. Opnieuw lijkt centrale betekenis toe te komen aan de veronderstelling dat alle vervaltermijnen de openbare orde dienen. Bijvoorbeeld Van Brakel schrijft — gezocht is naar de uitvoerigste motivering:
"Daartegenover [tegenover de verjaring — JLS] zijn er ook gevallen, waarin het belang der rechtszekerheid, naar de mening van den wetgever, zozeer overheerst, dat daarbij van alle subjectieve elementen wordt afgezien. Schorsing noch stuiting zijn daarbij mogelijk. (...) [Men blijve — JLS] steeds indachtig, dat de vervaltermijn berust op het, al dan niet betwistbare, inzicht van den wetgever, dat in dat bepaalde geval de uitwendige rechtszekerheid van partijen uitging boven de partijbelangen."4
Zoals bijna steeds bij de vervaltermijnen, wordt het 'afzien van subjectieve elementen' gerechtvaardigd met een beroep op het bovenindividuele belang. Opnieuw: die redenering overtuigt niet waar het vermogensrechtelijke vervalbedingen betreft, omdat daar geen (wezenlijk) bovenindividueel belang bestaat.
Tot slot een terminologische opmerking: de term 'stuiting' is specifiek ten behoeve van de verjaring gemunt en is daarom in het kader van vervaltermijnen mijns inziens minder gelukkig. Ik zal daarom spreken van 'verlenging'.5 Die term is juridisch kleurloos bedoeld; hij wordt naar het juridische vertaald door middel van uitleg of door middel van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.